Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden nu ook OUWE BEKENDEN, net als het kroesje of het bord op de tafel; en daarmee zijn ook zij tot zelfstandige naamwoorden bevorderd. Deze drang naar de ontdekking van maatjes of ouwe bekenden wordt soms op het einde van het 2de levensjaar zoo sterk, dat de vroegere Imperatieven, die bij ons werkwoorden zijn, als zitten en rijen en eten, wanneer vader of moedér er niet tusschen komt, voor het kind plotseling stoel en wagen en pap gaan beteekenen. Met de twee eerste was dit althans bij Keesje het geval; en een meisje, dat vroeger gewoon geweest met den Imperatief lees om papier te vragen, dat ze dan tot stukken ging scheuren, begon in dezen tijd plotseling, hetzelfde woord te gebruiken als naam voor de krant.

,, _ Deze ontdekking der substantieven wordt bij 22. We hebben scherpzinnige baasjes nu weldra door een nieuwe versoms maar een . 1 j j » . . « j, n woord voor heel rassm9 gevolgd: dat namelijk met alle dingen elk een veel dingen anderen naam hebben, maar sommige op elkaar lijkende ouwe bekenden allemaal met één naam genoemd worden. Eiken dag eet Keesje de pap en de peer heelemaal op. En toch is er eiken middag weer nieuwe pap. Alleen de snor, die hem kust en He tiktak in z'n zak heeft, en altijd tegenover moeder aan tafel zit, mag de dreumes papa noemen; maar al de andere snorren en baarden heeten oom. Dat is vreemd. Juist in dezen tijd (het 3de levenshalfjaar) leeren de meeste kinderen met eenig gemak rond te loopen, en al heeft deze moeilijke kunst in de eerste weken dat ze beoefend wordt, gewoonlijk een tijdelijke staking in taaivorderingen ten gevolge; weldra wordt het kunnen loopen, een geducht middel om de juiste beteekenis der woorden te achterhalen. Ze kunnen nu zelf naar de dingen toegaan, ze aanwijzen en betasten naar hartelust, en er telkens den naam voor vragen. Een verstandig baasje ging nu die vreemdigheid met al die zelfde woorden voor verschillende dingen op zijn manier onderzoeken, en liep naar een stoel die aan tafel stond en vroeg: Datta? Moeder antwoordde: stoel! Toet, zei de kleine na. Toen ging hij echter naar den stoel ernaast en vroeg weer: dattal En moeder zei wederom: stoel. Toen ging hij naar een stoel die tegen den muur stond, en vroeg opnieuw: datta? En weder antwoordde de geduldige moeder: stoel. En zoo liep hij al de zeven stoelen die in de kamer waren af, telkens vragend: datta?En zevenmaal kreeg hij hetzelfde antwoord. En toen pas was hij tevreden. Een anderen dag liep hij naar de gangdeur in den hoek der kamer, en vroeg: datta? Deur, zei moeder. Toen ging hij ook de grootere deuren der kamer aanwijzen, en riep telkens datta? om zich toch maar te overtuigen, of telkens hetzelfde antwoord volgde. En toen hij nu ook telkens deur ten antwoord kreeg, was bij voldaan. Nu wist bij het. Van m'n eigen moeder heb ik gehoord, dat het indertijd toen wij kinderen waren, bij ons thuis juist eender ging.

40

Sluiten