Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een kus sust hem genist Zou hij z'n kunst herhalen ?

Slank werpt hij 't halsjen om, en tien ja twintig malen

Vangt nu zijn loopje met een zoetlief kreet)en aan:

Grootmoeder lacht en droomt van vaders kinderjaren.

Peinzend blijft vader op zijn loopend kindje staren,

In moeders oogen welt een traan. MOEDERKE ALLEEN. « g * door René de Clercq. Wie zal er ons kindeke douwen, Móederke alleen,

En doet het zijn moederke met? Douw-douw-douw-derideine; Wie zal er zijn dekentjes vouwen. Kleine, kleine, Dat 't schaarsch*) door een holleken Moederke alléén,

„. , [ziet? Kan van uw wiegske niet schéén! Kleine, kleine,

DitCHoeaUT' aa- Wie zou voor ons kindeke derven

Douw-douw-douw-derideine; Haar laatste kruimelke brood ?

rvleine, kleine, -iit. . .

y„ ,„ , „' Wie zou er, wie zou er voor sterven,

Moederke alléén, En lachen op kind en op dood ? rvan van uw wiegske niet scheen2)! •

Wie zal naar ons kindeke kijken. HJ* J***

Dien bleuzenden stouten kapoen 3)? Moederke alleen.

Wie zal er zijn hemdekes strijken, Douw-douw-douw-derideine

Zijn haarken in krullekes doen? „ f' Wdne

Moederke alléén

Kleine, kleine, Kan van uw wiegske niet scheen.

MORGENSTOND IN DE KINDERKAMER U door Stijn Streuvels. LHep m de schuimende reinheid van de malsche wol, ligt „Zus" te slapen Geloken als een uchtendroos is haar wezen - bloei in rust Als eene roos is haar wezen blozend, 't voorhoofd helder tot boven de wangen, waar 't rood in samenvloeit; de lippen hooger rood en rond, met den beginnenden glimlach om den mond, die stil blijft en ingehouden door de ernstige kalmte der gelokene oogen. Over en rond het gelaat, in verwarde kronkels, de haartressen. Zoo omkranst het groene loof en de blaren de schoonheid der mei-bloemen tot een tuil en maakt ervan een lieflijk geheel.

Tot onder haar kin ligt Zus in de dekens, maar er boven, in den plooi van den arm, houdt zij met een gebaar van zorgzame weigerhdd (behoedzame zorg) veilig haar pop. In haar andere hand heeft zij haar poes. Het lijf van de pop steekt mede onder het dek, maar de kop met de groote ronde baloOgen kijkt nuchter en koud. De poes is versleten, de kleur er af met gummi-vlekken, de oogen vergaan, de neus gatig, zij heeft de triestige uitdrukking van een schurftig dier. Tegenover Zus haar bed, in zijn wieg, ligt „Broer" te slapen. Maar te slapen met geweld, zoodat hij erbij zweet. Heel zijn wezen is er door ontstoken; op amP<*- 2) scheiden. ») dikvet kindje.

44

Sluiten