Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn voorhoofd en op de vakken aan weerskanten van zijn neusje, parelen heete fijne druppeltjes — iets als de uchtenddauw op het dons eener perzik. In zijn geweld heeft hij zich blootgesparteld en al zijn dekking ligt verwoeld, onder en nevens hem. Broer is met gevoelerig, hij neemt niets mede naar bed: Zijn eene arm ligt gestrekt boven zijn hoofd, de andere beneden met een gebaar van „God-den-Vader die de wereld schept". De vuisten zijn geloken (gesloten), de wenkbrauwen gefronst, en met den ernst om den toegespannen mond, gelijkt Broer aan een held, die gevallen is, terwijl hij zijn slag aan 't slaan was en zijn gramte nog behoudt in zijn rust „Gevallen" lijkt hij wel, maar „verslagen'' niet! Zijn houding is eerder dreigend en in de strengheid van zijn gelaat schijnt er iets aan 't werk, gereed om te herbeginnen. De slaap heeft hem schijnbaar verrast, hij is tot rust gekomen in volle kracht overwonnen door den vaak, dien hij niet heeft voelen naderen. De heldhaftigheid en de strenge ernst van den knaap in rust schijnen met gemaakt noch ongepast, want over zijn wezen straalt als een glans, de ongerepte onschuld van het kinderlijk welbehagen. Broer schijnt 't geen hij is. en nu hij slaapt, laat hij de druistigheid (wildheid) en 't ongemaakte van zijn aard zien, alsof hij op en wakker ware.

Zijn peerd en zijn trompet liggen omgevallen op den grond te midden de kamer, 't Eene gelijk het andere getuigen van Broers onzachte behandeling. Het peerd zijn schonken zijn gekneusd en al wat uitwendigheid heet aan kop of lijf of pooten, is afgesleten of uitgevreten als door een kanker. Het trompet is vol wreede builen en de ronding der buizen is vol hoekigheden. Die twee dingen ook schijnen te genieten van de welverdiende rust dien laten, lichten morgen. Broer en Zus gemeten er evenveel van, het licht hindert hen met. Geen trek verroert op hun wezen. Zacht en kalm de eene, stuursch en streng de andere, maar in evenwijdige regelmaat heft en daalt hun beider adem, zonder dat iets anders de diepe stilte komt bewegen. Zoo vordert geruischloos de tijd en groeit de morgen en niemand hoort het blij geschetter en getier van musschen en van vinken. Het licht alleen leeft en groeit — heviger schelt het tegen 't wit der wanden, heviger tegen 't azuur der bebloemde behangsels en schitterender flikkeren de vlammetjes op de vier koperen appels aan het bed. Maar zie, aan den bovenhoek van het vensterraam, waardoor het licht als een effen vloeisel naar binnen stroomt, verschijnt iets als een klodde vuur, 't is de zon zelf, een stippel van de zon! — De zonnestraal zelf is als een geweldige levenwekker; hij is als het blinkend koperen klaroen, dat met schetterstoot en jubelkreet verkondigen komt de glorie van den nieuwen dag.

Heel het raam is bijkans vol zon, als een stroom gulpt de gloed met geweld van hitte en klaarte naar binnen. De lichtplas op 't tapijt is uitgewijd en vreet al verder 't bloedend rood der bloemen en 't rauwe groen der loovers; in zijn omkring grijpt hij het onderste vlechtwerk en de pikkels van Broere's wieg. De straal klimt tot tegen den bovenrand van het bed, laat het hoekje, dat dieper ligt als den overkant in de schaduw en berijdt van eerstenaf de opperste neggen

45

Sluiten