Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(kreukenofvouwen) der beddelakens en dekens, herschapen effenaan (aanstonds erop) tot een geweld van gestolde baren, die de wiege vullen met diepten vol schaduw en neggen van licht. In en door die foefeling (kreukeling) kruipt de straal hooger op naar Broere's blooten hals, over zijn kin en gaat er aan het krevelen (krieuwelen), aan 't kittelen in Broere's open neusgaten en brandt tegec de teere slagvensters, die als dunne rozenbladeren zijn oogen geloken houden. De knaap hertrekt zich terstond, rimpelt mistevreden het voorhoofd, wrijft onzacht en haastig 't averechtsche van de vuist over den neus om de kitteling te dooden, en dan, ineens, zonder de oogen te openen, zonder handen of voeten te gebruiken, in zijn schijnbare slaapdronken verbijstering. God-weet, hoever en hoe diep ta zijne droompaleizen verslonden, — met een onvermoeide kracht, smijt hij zich om: als een karper.... Beveiligd onder den dubbelen voorhang van het bed, ligt Zus nu ta *t getemperd koele licht als ta de zaligheid van een stil kapelletje. Al bulten ketsen de stralen wel tegen 't gordijn; als een stortvlaag slaat de regen van goudstralen tegen de gesloten mazen van het dakvormige, blauwe schutsel, — albtanen reuzelt (ritselt) amper een flauwe weerglans en zimpert (zijpelt) et wat goudpoeier, die ta de hooge koepeltag van het verhemelte een tooverlicht doet bitaken en een waas doet ontstaan van puur doorschijnend, onzeggeüjk zachte blauwsel. Boven Zus haar hoofd is het als de dauw uit een wonderdroom, zij ligt als onder een stolp, waar 't jubelkletteren van den dageraad getemperd wordt tot een zacht gefluister, dat haar verder wegdraagt en nehagelijk schommelt ta haar droomwiege. Nu heeft de zon haar weg gebaand tot ta het tweede raam; de kamer is louter zonnelicht, vol hevigheid, vol geweld; — de zonneschreeuw galmt; de dageraad viert zijne intrede; de glans is geworden als 't heerlijk geluid van gouden bellen, die luider en luider rinkelen; de dag is daar, de wereld en het leven zijn ontwaakt Broer kan nu 't geluid van het licht niet langer meer weerstaan, het heeft ta hem de vreugde doen ontwaken en medeen is zijn slaaphut uit. Hij steunt op de twee vuisten, recht zich. kijkt verwonderd aiover den schouder naar de zon. die hem bijt naar 't gestraal door de kamer, naar de twee lichtende ramen, die zijn blik verbijsteren. Hij ontwaakt ta een bad van licht, ta een glanzend paradijs. Misnoegd knijpt hij eerst de oogen voor al die hevigheid, opent ze weer en schiet ta eenen lach. Zita lach is stil, zonder den lulden klank van het kinderlachen — 't is de glans nog maar der inwendige blijheid, die zijn wezen onduiken doet de blijheid van 't wakker en levend worden ta die overheerlijke zonneglorie. „Ha!" roept hij naar de zon. — „Ha!" herhaalt hij als een nuchteren, onbeholpen groet naar 't onbekende geweld, dat hem wakker maakt. — „Ha I" 'tis de eenige klank ta 't ongerief zijner onmondige uiting. Maar ta den toon van dien klank legt hij al de schakeertagen zijner gevoelens. — „Ha!" roept hij en kijkt rond door de kamer om zich te verkennen. Traag, geleidelijk maar, ontwaakt het geheugen en de vertrouwelijkheid der dingen. Nu leeft hij ta de verwondering, alsof alles nieuw en versch voor hem getooverd werd; want eiken morgen nog

46

Sluiten