Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwaakt hij in dezelfde nuchtere verbazing van iemand die pas uit de lucht valt en voor 't eerst de wereld ziet en den luister van 't nieuw geschapen licht — „Ha!" roept hij, vragend nu, vorschend naar een ander leven, naar iets dat hij vermoedt van zijn eigen te zijn en toch met ontwaren kam Hij verlangt iets, dat zijn roep moet beantwoorden, een klank eenstemmig met den zijne. Broer is 'wakker op den slag de zon wekte hem en nu zit hij wakker als een bliek? — zijne oogen zijn helder als 't water uit de bron. zijn haar staat verborsteld, maar dat weet hij niet De rechter wang, waarop hij 't laatst gelegen heeft, is ontstoken ; zij gloeit en bloeit veel meer dan zijn linkere, maar hij voelt er niets van. Zijn houding is drollig {grappig), maar daar geeft hij niets om. Van bloot of gedekt heeft hij geen besef, de warmte gloeit over heel zijn lijf en nu. lijk gister, kruipt hij stovend uit zijn wieg, gelijk een kuiken uit het ei. Hij buigt zich over den rand zijner wieg en ziet zijn peerd liggen, dat gekneusd is en gehavend aan kop en pooten. „Hal" Hij ziet zijn verfomfaaide trompet. „Ha!" Den blozenden appel, waarin hij gisteravond gebeten heeft en dien hij daarna weggooide. „Ha!" Al nieuwe kennissen, die licht ontsteken in zijnen geest Hij schijnt na te denken, of er nog iets is op de wereld, maar heeft het gauw opgegeven. Hij stelt zich rechtop, kunt de handen op den rand der wieg en ter verpoozing begint hij zichzelf te schommelen. Stil eerst en van langs om harder. Hij lacht in zijn eigen, geniet van de deugd. „Ha! Hal Hall" Nu weet hij het! Nu heeft hij ontdekt 't geen hem ontbrak. Zus. die te slapen ligt in haat blauw kapelletje. Zus! „Ha! Ha!" roept hij luider ongeduldig reeds, omdat zij zijn roep met beantwoordt Hij stelt zich rechtop, de beenen wijduit, geschraagd als een schipper in zijn schuite — aarzelend om recht te blijven op den onvastcn stand van kussens en dekens. En als hij stand gevonden heeft, doet hij zijn wiege schommelen meer en meer. — Zus roert met ze slaapt. — Broer laat zich voorover vallen, gestrekt naar den kant reikt met den arm naar 't bed, dat hij bij elke schommeling te grijpen krijgt bijna, maar hem telkens weer ontsnapt! Met een forschen zwaai en een meegeven van heel zijn lijf, doet hij de wieg overhellen en eindelijk houdt hij een stuk van 't bedgordijn gekaapt. Nu zal hij niet meer lossen (loslaten)\ Hij trekt toe, werkt zich vooruit; als een kikvorsen kruipt hij. met de knieën grijpend, over den rand. zijn wieg uiten het bed in. — „Ha! Ha 1 't b dag. Zus", schijnt hij te willen zeggen, „ik ben hier". „Ha! Ha!" snauwt hij nijdig. „Gij leelijke slaapratte, staat op!" Zijne tong blijft weerbarstig, maar de uitdrukking van zijn gelaat zegt al wat hij wil en teekens en gebaar volmaken het overige. Hij zit wijdbeends op de knieën en als de veroveraar, die zijn plaats heeft ingenomen, begint hij onverschrokken de dekens weg te trekken. De poeze-kat en Fiete-de-pop krijgt hij in 't oog; die oude gekenden, waarmede hij meer te doen had, boezemden hem met 't minste ontzag "V- hi\ stelt zich aan als een dwingeland en pakt Poes eerst en Fiete daarna, rukt ze bij den kop, en gooit ze onbarmhartig aiover zijn hoofd, waar 't vliegen wiL Zus loost een zucht en een pijnlijke trek komt op haar wezen, omdat haar

47

Sluiten