Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rust gestoord wordt. Met een gekreun keert zij zich weg, doch opent de oogen niet en wil voortslapen. Niet te doen I Dat staat Broer in 't geheel niet aan — als hij wakker is. onderstelt hij dat alles wakker zijn moet. Hij wil aan Zus den nieuwen dag verkondigen; hij kan niet verdragen dat zij daar ligt gelijk dood, terwijl hij levend is; hij wil leute (pref) maken, gerucht en vooral wil hij haar stem hooren; hij wil dat ze de oogen opene en hem aankijke; zij moet met hem' spelen! In heel zijn wereld kent hij niemand tenzij Zus, met Zus kan hij spelen en vechten; Zus kan loopen en gaan; Zus kan alles zeggen, wat ze wil; Zus kan lachen en schreeuwen — ze kan kouten! Dat kouten vooral staat hem aan; hij begrijpt al wat ze zegt en hij verkeert in den waan, dat zij ook al zijne woorden verstaat, al 't geen hij met ongerief van klanken uitbrengt. Zus slaapt te lang naar zijnen zin; Zus moet wakker worden. Maar hoe of wat moet hij doen? Hij weet geen raad. Hij zit wijdbeende op de knieën en denkt na. Zijne handen hangen onbesloten, zijn wezen staart ernstig, de kin op de borst, somber naar Zus, die als een ziellooze pop daar ligt zonder leven. „Gheu! Gheul" Hij knort als een zwijntje, ontevreden: „Gheu, gheu!" — Ineens teneinde zijn geduld, buigt hij zich voorover, grijpt Zus met de eene hand bij den neus en met de andere een tresse (vlecht) haar en trekt onzacht, terwijl hij kwaadaardig op de tanden bijt Zus slaakt een pijnlijken kreet en als ze de oogen opent staan ze vol tranen van de pijn. Broer heeft de handen gelost en ziet verbouwereerd, verlegen, duwt de kin dieper op de borst en trekt de wenkbrauwen hooger op, met een drukking alsof hij een onduidelijk besef had, dat hij kwaad heeft gedaan. Zijn lodderlijke (jammerlijk) blik en zijn gespannen pruilmond dreigen in weenen over te gaan. Zus is verrast door het hevige zonnelicht, dat de kamer vult als een brand; hare oogen zijn er verbijsterd door en ze staart knipoogend den dwingeland aan, die vóór haar, tegen het licht op de knieën overeind staat. Maar 't zonnelicht is haar ook de blijde boodschap — ze voorvoelt den dag, dien ze te goed heeft mét al de vreugden die er aan vast zijn en 't zicht van Broer, die al kwikwakker uit zijn wieg is gekropen, doet haar gauw de plotselinge schrik en pijn vergeten en ze is aanstonds blij gestemd. — „Broerel" groet ze minzaam. „Broerel" klinkt het als een dreeling (Uefkoozing) — „Da-dal" haast Broer zich te antwoorden, blij om de gemakkelijke en haastige verzoening. En plots de druistigheid van zijn aard afleggend, in een ongedwongen gebaar, uit de dagelijksche gewoonte ook, 4- steekt .hij met een drollige (malle) uitdrukking van verteedering, zijn kopken vooruit en nuchter weg boudt hij de wang gereed.,. Zus steekt zonder aarzelen de armen uit heft zich naar hem toe en zoent Broer op beide wangen. — „A-ahl" zucht Broer heel diep, heel plechtig en goed gemeend. Hij is aangedaan, door een opperste behagelijkheid en blijft een stonde stil zitten, als 't ware om de deugd na te smaken. „Da-dal" herhaalt hij welgezind en onbehendig, lutsvoetig (metde voeten tegen elkaar) klavert hij nu recht op de beenen, staat en trappelt op 't onvaste van het kussen, dat hij wegzinken voelt onder den druk van den stap. Eens dat hij

48

Sluiten