Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK. □ DE STAMELENDE DREUMES.

1 Het oor is den ^e nebben nu voorloopig genoeg gezegd over het be-

' i wustzijn en de woordbeteekenissen van het anderhalf-

mond altijd voor. « , .

jarige kind; laten we thans weer eens op het spreekorgaan

en op den klank der woorden gaan letten. Want, Keesje spreekt immers nog maar zeer weinig woorden heelemaal goed uit. Van de meeste woorden zegt hij nog maar de helft of driekwart van de klanken. Welnu, zulk een praten met half juiste, half onjuiste woordklanken heet stamelen, en nu begrijpen we ook: waarom boven dit vierde hoofdstuk als titel gedrukt staat: de stamelende dreumes. Om de heele klankontwikkeling der woorden beter te overzien moeten we ons nu nog eens even herinneren: dat de eerste klanken van het kind bestonden uit lange klinkers, uitentreuren gerekt b.v. eeee. Bij een klinker is de mond min of meer geopend. Door het lachen ontstonden daarna korte klankgroepjes of klankgrepen (ten onrechte lettergrepen genoemd) waarvoor wij dus den term silbe zullen gebruiken. Deze korte silben bestonden aanvankelijk weer uit enkele klinkers b.v. a-a-a. In de brabbelperiode kwamen er ineens van allerlei vreemde silben en verbindingen op, maar die zagen we weer allemaal spoorloos verdwijnen, sinds de napraatperiode begon. De klanken en klankverbindingen, die op den duur in het kind z'n taal overblijven, zijn allemaal door nazeggen aangeleerd. Dit is voor de heele klankontwikkeling der menschelijke taal: een feit van groote beteekenis. Want hieruit volgt toch, dat niet van het articulatie-orgaan zelf, maar van het oor en het hooren, het geheele verdere woordklank-aanleeren uitgaat. In heel de kinderlijke woordklankontwikkeling, die nu volgen gaat, is het oor altijd een eind vooruit, en het articulatie-orgaan komt achteraan gesukkeld. M.a.w.: lang voordat de mond een nieuwen klank of moeilijke klankverbinding leert zeggen, kan het oor ze al heel goed onderscheiden en onthouden. Dit spreekt eigenlijk van zelf, en onze heele verdere behandeling zal het bewijzen. Ik zet hier echter een paar typische staaltjes voorop. Bernard kon betrekkelijk heel laat, de k nog niet uitspreken. Hij verving die door allerlei klanken, zoo zei hij voor „koopen" altijd poopa. Toen nu zijn vader, om zich door hem beter te doen verstaan, ook van poopa begon te spreken, zei de kleine, hem met verontwaardiging verbeterend: nier poopa maar poopa. Het blijkt duidelijk: de kleine wilde zeggen: niet poopa maar koopa; dat onderscheid kon hij evenwel nog niet maken met z'n mondje, maar wel reeds gewaarworden met z'n oor. Nog duidelijker misschien is het volgende geval. Keesje zei voor boek enk ij ken altijd koeka kijka, zonder iets anders te bedoelen dan z'n prentenboeken, alhoewel hij in andere woorden de b heel goed zeggen kon. De reden biervan is duidelijk: De drie k's die in deze verbinding voorkomen,

50

Sluiten