Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren die eene p te sterk. Spelender wijze praatte nu z'n moeder ook eens tegen hem van „koeken kijken". Maar in plaats van het prentenboek te nemen, ging hij ineens door:/a koeka, moena koeka en dwong zoolang óm koeken, tot hij ze heusch in den mond had; en moeder was wel zoo wijs, hem in het vervolg maar niet meer na te praten. Ook Keesje hoorde dus met z'n oor allang het verschil tusschen koeka kijka en boeka kijka, eet hij dat met z'n mond kon laten hooren. Een laatste bewijs leveren de vele andere woorden, die bij kinderen op dezen leef tijd in hun dgen mond samenvallen: zoo spreekt Keesje kant en krant beide kant, doof en doos beide doof, even en geven beide efa, boek en broek beide boek uit, zonder dat 't hem hindert, terwijl het hem aanstonds ergert en hij verwoed begint te protesteeren, gelijk we naderhand (HfdstVIII, nr. 4) zullen zien, als moeder een bekend woord ook wel eens voor iets anders gebruikt. Het oor is den mond dus vooruit.

2. Deladder waar- 9m nu duidelijk te laten zien, hoe de mond zachtjesaan langs de mond het het °9r begint te volgen, en hoe langer hoe juister en oor naklimt. nauwkeuriger de voorgesproken woorden begint na te zeggen, zullen wij den heelen ladder der woordontwikkeling van Keesjes 2de levensjaar indeelen in een reeks van 15 sporten. Wij karakteriseeren elke sport met een formule waarin f beteekent: een wiUekeurigen ploffer of neusklank, en p een anderen ploffer of neusklank; s beteekent een glijder; a beteekent een vollen klinker; i beteekent een overgangsklinker; ? staat voor zich zelf. Ze komen in deze volgorde: J' ta 5. tatta 9. tata 13. taas

2. taai 6. tatta 10. taat 14. tatapa(ai)

3. tiaai 7. tat 11. taap 15. raspa-

4. ata 8. tap 12. tas 16. taspapa

1 a staat hier zoowel voor da als voor nè. Onder de formule taai valt mauw, onder taas valtb.v. doof, onder tatap a piep»edfe.Dèzenummering moet men niet zoo opvatten: dat alle woordjes van dezelfde sport plotseling op één bepaalden tijd, voor den dag zouden komen, en daarna het tijdperk VOOriC«*ï volgende sport zou aanbreken, want dat is natuurhjk niet het geval. Als een kind met een bepaald woord reeds aan 6 of 7 is, kan het met era ander reeds bij 10 of 11 zijn, en met weer een ander nog bij 3 of 4 staan. Ook behoeven, vooral later niet meer, al de woorden al deze treden van het begin af aan tedoorloopen. De bedoeling is alleen: dat het kindermondje pas de hoogere sporten kan bereiken, nadat het in de bestijging der lagere, door veel oefening, een zekere vaardigheid heeft verworven. 3. Woorden van D,* e"8** woorden, die de kleuter nazegt bestaan sport: ta, taai, t"W*0,4 subevormendeklinkers met een medeklinker tiaai. voorop. Dag zegt Kees in dezen tijd na als da, trem

als te, pap als pa. Spoedig wordt die silbevormende

51

Sluiten