Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klinker uitgerekt tot een tweeklank: pa wordt paai; piep zegt Keesje na als dieuw. In een enkel geval komt ook al spoedig een drieklank voor; namelijk in de klanknabootsing: miauw. Naar piep te oordeelen zou men zeggen, dat deze tweeklanken op het einde een eerste poging zijn, om een klinker met daarop volgenden medeklinker uit te spreken. Voor alle medeklinkers wordt de mond min of meer gesloten. Dat beteekent dus, dat de mond eerst toegaat, dan dicht is, en daarna weer opengaat. Wat hooren wij nu met ons opr van een medeklinker voorop? Nooit het toegaan van den mond en gewoonlijk ook niet het dichtzijn; maar meestal alleen het weer opengaan. Daarom is zoo'n beginmedeklinker voor ons oor nog. maar een halve medeklinker of eigenlijk maar 'ƒ3 stuk van een medeklinker. Zoolang dus alleen het laatste '/3 of den begin-medeklinker kent, kan het kind met z'n mondje natuurlijk nog geen slotmedeklinkers laten hooren waarvoor juist het eerste 2/3 noodig is.

Een eerste vooruitgang zijn nu woordjes als a-die,

■ rt^ta^atTa a"rie' Hier toch hoort het niet

tatta tat Open mccr het opengaan van den mond, maar ook het dicht en gesloten silben. 2iin (°* bij a-fie althans een oogenblik stilte, terwijl de mond dicht is). Dat is dus reeds 2/3 medeklinker. Nu gaat Keesje evenwel spoedig nog verder, daar hij onwillekeurig die eensilbige woordjes van sport 1, vlak achter elkaar begint te zeggen, ta ta wordt tatta, ma ma wordt mamma, té té wordt tette, né né wordt nenne. In deze woordjes hoort nu het oor den tweeden medeklinker heelemaal: het toegaan, het dicht zijn (althans als een oogenblik stilte) en het weer opengaan; en daarom schrijven wij hem ook dubbel. Kindje zegt Keesje in dezen tijd na als diddi, daarna als fiffa. Maar al kan hij nu het laatste '/s (of het opengaan), de laatste 2/3 (het dichtzijn èn opengaan) en de heele 3/3 (toegaan, dichtzijn en opengaan) hooren; de eerste 2/3 (toegaan en dichtzijn) samen, kent hij daarom nog niet afzonderlijk. De eensilbige woorden met zoo'n slotmedeklinker uit de eerste 2/3 (toegaan en dichtzijn) bestaande kan Keesje aanvankelijk nog alleen nazeggen door ze tweesilbig, dus van die 2/3 weer 3/3 te maken. Pap wordt bappa en veel later wordt dit nog ditta, dat datta en ik: ikka: m.a.w. hij voegt er, om het laatste bestanddeel, namelijk het opengaan van den medeklinker, te laten hooren, nog een afzonderlijke silbe met a aan tob.

Het kost dan ook heel wat moeite: dit overtollige laatste bestanddeel weer af te leeren; en gewoonlijk gaan er een paar maanden mee heen, eer door goed luisteren en herhaalde correctie bappe weer tot pap, mamma weer tot mam wordt. Bijna tegelijkertijd verschenen toen bij Keesje: fat voor pats, en kik voor Dirk, en later nog tut voor klok, en rif voor kist. Dat is dus een combinatie van al de tot nu toe bekende

52

Sluiten