Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Heb je met 't jeugdige kind, noch mij, rampzalige vrouwe, 10

„Spoedig je weduwe; want dra zullen d'Achaeërs1) je dooden,

„Allen aanstormend op jou. Het ware mij zeker het wenschelijkst,

„Zoo ik je derf, te dalen in 't duistere graf. Want er rest mij

Geen, geen andere troost, als jou overweldigt het noodlot:

„Enkel verdriet 1 Mij lééft toch geen vader meer èn geene moeder. 15

„Hektor! jij alleen bent me: tot vader en dierbare moeder,

„Jij bent me 'n broeder en tevens mijn bloeiende heerüjke echtvriend !

„Och, ontferm je nou toch en blijf hier hoog op den toren,

„Maak toch je kind niet tot wees en tot weduwvrouw niet zijne moeder!"

Daarop gaf haar Hektor, de helmbos-omwuifde, ten antwoord: 20

„Vrouw, ach dit alles bekommert ook mij, maar ik huiver

„Voor de Trojanen, mijn volk en hun vrouwen met slepende kleedzoom:

„Zoo ik mij laag van den strijd onthield en wegbleef van 't slagveld.

„Niet zoo spreekt ook mijn hart, want 'k leerde een dappre te wezen,

„Altijd onder de voorsten te zijn aan de spits van de Trojers, 25

„Vaders8) glanzenden roem gestand doende en ook den mijne.

„Want wel zie Ik vooruit in mijn geest en voel 't in mijn boezem:

„Ééns zal kómen de dag, dat het heilige Ilios neerstort:

„Priamos zelf en het volk van den lansen-drillenden koning.

„Maar met deert mij zoo zeer al het latere lijden der Trojers, 30

„Noch dat van Hekabë3) zelve, of koning Priamos' noodlot

„Noch 't onheil van mijn broers, die met al hun moed en hun schoonheid

„Dan zullen bijten in 't stof, overmand door grimmige strijders;

„Als mijn deernis met jou, wanneer een in 't koper gedoste

„Griek jou wegvoert weenend, beroofd van het zonlicht der vrijheid; 35

„Jij naar Argos gesleept voor een andere werkt aan den weefstoel,

„Water moet halen — slavin — uit de bron Hyperei of Messëis,

„Zwijmel van wanhoop in 't hart, maar zwichtende onder den nooddwang.

„Wellicht zegt er een dan, jou ziende in tranen verkwijnen:

„Zie, dat is Hektors vrouw, van den dappersten strijdwagenmenner, 40

„Trojes beschermer, toen wij daar kampten om hare wallen.

„Ja! dat zal er een zeggen, en open weer rijten jouw wonde:

„Dat jij alleen staat zonder een man, die er vecht voor je vrijheid.

„Maar, wis en zeker 1 mij moet dan een berg van een graf toch begraven,

„Eer ik jou klagen laat als jij jammerend henen gesleurd wordt". 45*

Zoo sprak de edele Hektor en strekte naar 't kindje zijn armen,

Doch daar week 't lieve wichtje terug, van zijn vader geschrokken,

Schreiende luid aan den boezem der sierlijk gegordelde voedster.

Bang voor het koper en 't golvend, den helmkam dekkende, paardhaar,

*) De Grieken dieTrojebelegerden. ')Priamos, Hektors vader, koning van Troje. 3) Hekabe, Hektor's moeder, de koningin.

62

Sluiten