Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bogen dan onver- meervoudsuitgangen voor den dag. Van vele woorden bogen voor. zelfs is het moeilijk uit te maken: of Keesje ze niet eer in het meervoud aanleert, dan in het enkelvoud,, zoo b.v, fits (vingers), van vele wordt zeker vroeger het verkleinwoord gebruikt dan de loutere stam, maar bij de vroegste werkwoorden gaat t— om later begrijpelijke redenen (zie Hoofdst, VIII) — de Infinitief aan de persoonsvormen vooraf.

14 Demeervo ds zc9* Keesje reeds in de 18de maand aapies tegen uitgangen bij varkens, in de 19de maand, als er soldaten voorbij soortnamen. trokken: ditta manna of data (soldaten), alle lekkers

noemt hij: koeka, soms ook met een voorslag: a manna, a koeka (de koeken) of o manna (ook mannen). Twee maanden later leert hij aardappels appas noemen, vrouwen: foua of faje, de kastanjes uit den tuin teena (steenen), en kralen: kata. En dat Keesje deze meervoudsvormen nu ook inderdaad als echte meervouden verstond en bedoelde, blijkt duidelijk uit de volgende geschiedenis. Behalve Keesje's vader, was ook z'n oom Piet sinds 1914 gemobiliseerd, en kwam nu in z'n soldatenuniform van tijd tot tijd bij Keesje's moeder aan huis. Nu kon Keesje natuurlijk aanvankelijk vader en oom Piet niet van andere soldaten onderscheiden, en in dien tijd werden hem dus de namen Pier en faja tot soortnamen. Telkens toch als hij nu een of meer soldaten op den weg zag voorbijgaan, riep hij Pier of faje en soms ook wel eens Piëta. In de 22ste maand echter merkte moeder op, dat hij reeds trouw en nauwkeurig onderscheid maakte. Zag hij één soldaat voorbijgaan, dan zei Keesje: pietl kwamen er een heele troep voorbij, dan riep hij: piëta. Kort daarop volgt nu hetzelfde onderscheid bij het synoniem chodaat, dat in het meervoud: chodatan luidt, en wat later, noemt hij een alleen vliegende bij: bij, maar een heele zoemende kolonie bij een korf: bijn. Hij vindt het zelf nog wel wat vreemd, en kijkt moeder vragend aan, maar als zij ook nog eens goedkeurend bijen nazegt, is hij tevreden. Opmerking verdient hier alleen, dat Keesje's moeder, als Zeeuwsche van geboorte, in afwijking van het gewone spraakgebruik, in het meervoud meestal de-n laat hooren, wat vader als geboren Hollander natuurlijk niet doet.

15 De verklei ^^ds in z'n 18de maand zei Keesje zusja naar sjusta en nings-uitgangen' su^3 (zuster), biesj naast pees (beest), koekie naast koeka,

kaasje naast kas (kaas), tousje naast tows, doosje of toosje naast toos, poéka naast boek (broek) en verder uitsluitend als verkleinwoorden: tttita entuia (truitje), batta (badje), boeka (boekje), boeta en botta (voor bolletje), koesja (kroesje) fuisja (vuistje), poesja, sMca (geitje), aasja (haasje), tasja (jasje), oeta (hoedje) en pasja (plasje), maar van eenig beteekenis verschil was nog niets te merken. Waar bij het stamwoord en het verkleinwoord beide tot z'n dispositie had, scheen het van louter toeval af te hangen, welk van de twee hij koos. En de woorden die hij uitsluitend

74

Sluiten