Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met den verkJemingsuitgang gebruikte, had hij zoo van moeder geleerd. Ook zal hierbij misschien de boven op blz. 47 gesignaleerde voorliefde voor tweelettergrepige woorden toe hebben bijgedragen, want hij zegt b.v. ook oocha voor ook, hoewel hij toch van moeder nooit ookje gehoord had. Maar in de 21 «té maand begint hij het verschil te merken. Dat blijkt uit een zekere aarzeling, een gevoel van radeloosheid soms, als hij tusschen een van de beide vormen moet kiezen. Zoo weifelt hij soms tusschen /oer en /befa (voetje) zakkoet en zakkoeta (zakdoekje) boeit en boeka (boekje), waarbij de keus natuurlijk doorzijn gelijke uitspraak der in denzelfden tijd opgekomen meervoudsvormen nog werd bemoeilijkt. Maar langzamerhand begint hij nu toch te merken, dat de verkleiningsuitgang van het woord een troetelwoordje maakt, iets liefs, iets bevalligs, iets aangenaams, en net als moeder, wanneer ze heel lief tegen hem wil zijn, bijna uitsluitend verkleinwoordjes gebruikt, zoo begint bij ook vooral gul te zijn met deze uitgangen, als bij heel zoet wil wezen. Maar soms wil Keesje ook wel eens niet lief zijn. In stoute buien voelt hij nu reeds, dat een verkleinwoord niet past En dan moet hij er den verkleiningsuitgang dus aflaten. Dat gaat echter bij de woorden, die hij vroeger uitsluitend als verkleinwoord kende, nu nog zoo heel gemakkelijk niet! en we hooren dus opniet-lieve oogenblikken een foutief /oor (vogel) naaf foota (vogeltjej en touwt (touw) naar touwta (touwtje) en jot (jongen) naar jotta (jongetje) uit z'n booze mondje spetteren. Nu, dat bij nou ook nog niet precies weet, dat er naast verkleinwoorden met -je ook zulke met -tje enz. bestaan, kunnen we den kleinen booswicht toch niet zoo heel zwaar aanrekenen.

16. De Infinitieven VandewerkwoordsvormenkomtdeInflnitief altijd het soms ouder dan de vroe9st bij kinderen voor. Keesje gebruikt zoo al heel persoonsvormen vroeg rija (rijen) en memmemma (hebben). En vóór soms jonger. de 20»te maand zegt hij reeds: kiela (kriebelen), sitta

(zitten), kaaika.kaka, kijka (kijken), data (draaien), baia (vallen), bowa (bouwen), daaia (dragen), chooia (gooien) enz. In de 21 «te maand, komt nu echter, zonder dat hij ooit te voren den Infinitief doen gebruikt had (daarvoor zei hij gewoonlijk ra/a, aan dragen of draaien ontleend) ineens de persoonsvorm toer en doet op. Eerst louter nagepraat; doet je voetje zeer: doer a voeta seet, maar weldra uit eigen beweging in de Imperatieven dber oop, doet ope. Dan volgen er spoedig een reeks andere. Zonder dat hij ooit van komen, houden, pakken, of vallen had getaald, antwoord hij nu ineens op de vraag „kom je?" bevestigend met koem of kom (ik kom), roept hij bij het spelen met een touwtje tot moeder: pak fasj, oo fasj, en werkt hij zich zoowaar ineens omhoog tot het correcte verbaalzinnetje foota /aar: het vogeltje valt.

17. Weder keerige De andere vrij druk opkomende werkwoorden in dezen toenadering. tijd, zijn echter weer Infinitieven: zoo baasja (blazen),

75

Sluiten