Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch zijn de zinnetjes der tweede reeks min of meer uitzonderingen in de groote- menschentaal, zoodat Keesje er zulke maar weinig te hooren krijgt, en op den duur vanzelf de aktieve beteekenis, althans bij de persoonsvormen overheerschend wordt.

Om op onze vergelijking van Keesjes bewustzijn met 27. Onderscheid nct raapje terug te komen, is het hier dus altijd als ussc en s s an- fa^fo en auIO piep een groote jongen, die juist tieven en werk- ' . . * • j j . v .

woorden. voor het raampje door een anderen jongen wordt in¬

gehaald en vastgepakt, zoodat ze elkaar vasthoudend samen weer langs het raampje verdwijnen. Alleen kunnen wij ér hier nu bij de werkwoordszinnen bijvoegen, dat de eerste jongen (het substantief of het naamwoord) een langzame baas is, die alles op z'n gemak doet, zoodat Keesje hem gemakkelijk terugkent als een ouwe bekende, terwijl de tweede (het werkwoord of verbum) een bewegelijke spring-in-'t-veld is, die zoo hard loopt, dat Keesje bijna niet merkt dat bij hem toch al meer gezien heeft. Nu is er gewoonlijk dit verschil tusschen bewegelijke en rustig-langzame jongensnaturen, dat de bewegelijke graag hard loopen, zich moei maken, en allerlei moeilijke kunstjes uithalen, terwijl dé rustig-langzame liever zitten of kalm rondkuieren. Ook zijn de rustige naturen gewoonlijk een beetje baasachtig, terwijl de bewegelijke zich gemakkelijk naar anderen schikken. 9r n tA uw Daarom amuseeren rustige jongens zich met gewoon

u *°n e 9 krijgertje spelen niet lang. Zij rijden bever op een van het voorwerp. > ^r: j j

anders rug. Dan zitten ze hoog boven op den ander;

en die andere loopt daar ineengedoken onder, hij is nauwelijks te herkennen; voor, dat baantje zijn op den duur alleen bewegelijke jongensnaturen geschikt. Welnu, zoo gaat het ook met de bijeenkomende voorstellingen in Keesjes bewustzijn. Elkaar inhalen en vastpakken voldoet niet lang; ze willen op en onder elkander zitten, ze willen baas spelen en ondergeschikt zijn. Ziel daar komt een rustige jongen aan, daar rent een spring-in-'t-veld voorbij. De rustige houdt hem staan, en gaat op z'n rug zitten. Hij beheerscht nu van daarboven het terrein. Den eersten keer, dat we dit merken, is het weer met een aanwijzend voornaamwoord. Juist als de verbinding onderwerp-en-gezegde het eerst met ditta tot stand kwam, zoo zal de verbinding werkwoord-en-voorwerp het vroegst bij datta verschijnen. Op een morgen, dat hij reeds wakker lag in de donkere kamer, eer moeder hem kwam wekken, is z'n eerste vraag bij moeders binnentreden, met z'n handje naar de gordijn wijzend: moena, datta tikkal (dat optrekken). Wij zien hier duidelijk, al wil het woord voor de aanschouwelijke voorstelling van gordijn hem niet invallen (er was geen plaats voor inz'nhoofdje, hij was te vol van al die hinderlijke duisternis), het vingertje wijst duidelijk welke bedoeling hem beheerscht. „Gordijn

80

Sluiten