Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

optrekken 7 vraagt moeder. Ja, chadijn tikki, icht klinkt het verlossend uit z n mondje. Chadijn moet opengetrokken worden. Het chadijn beheerscht mi aanstonds het heele terrein van z'n bewustzijn. Het voorwerp is ontdekt! Leve het voorwerp! Keesje is zich nu toch langzamerhand bewust geworden, dat er verschil is tusschen chooi da baj (ik gooi den bal) en cftaar a oed (daar gaat de hoed). In het eerste geval gaat z'n aandacht vooral naar den bal, daar is het hem om te doen; en in het tweede geval let hij vooral op het bewegen, het gaan van z'n muts. Als het z n kous, z n schoentje of z'n beertje was geweest, zou het spel op de draaitafel even prettig geweest zijn. Daarom is chaata hoed eenzelfde . constructie als kache fuita. Maar bij chooi de baj gebeurt er heel wat anders. Cftooi is hier de bewegelijke jongen. De rustige houdt hem staan, pakt hem vast en.... springt op z'n rug; Da baj is baas. en chooi is de ondergeschikte. Zoo was ook chadijn baas, en tikka de ondergeschikte INu heeft dat baas spelen z n grenzen.

29 Grammatische De ondergeschikte heeft toch eigenhjk den baas heeleonderschikking. maal [n zijn macht; hij draagt hem waarheen hij wil, en gehoorzaamt slechts zoolang als hij zelf wil, zoodat men van een ander standpunt gezien de namen ook zou kunnen omkeeren Maar voor het toekijkende Keesje is de hoogzittende baas toch de voornaamste, en^e ander die er onder loopt tate^ 9) Want of Keesje een molen, een huis of z'n zoete moena ziet. maakt een groot verschil; maar of hij den molen ziet. bekijkt, aanwijst of hoort, daar let hij bijna niet op. Het voorwerp is de ruiter die rijdt op het gezegde.

30. Voorwerpen Va\netjdfde soort komen er nu kort daarop meer bepaling van een voorbeeIden. Vooral ééne reeks spreekt heel duideÜjk: infinitief nog niet smna i™*3 /"ir> sinna adi, sinna koekoe, opop sinna, tatta gescheiden. sinna. Hier vooral is het heel duidelijk dat het hem met

j \ m t002***0™ het sinna {zingen), als om het bepaalde liedje

te doen is. Maar ook fesja uika (aan 't fleschje ruiken) chas loopa (over t gras loopenj asja koem (wasschen in de kom) zakkoet poetsa (met een zakdoek poetsen) toota sjitta (op den schoot zitten) verkeeren voor Keesje in precies hetzelfde geval.Van een verschil tusschen voorwerp en bepalina is bij hem tot hier toe nog niets te merken.

31. Roepnaam M sP°edi9 echter worden deze voorwerpscopstructies wordt onder- met een geroepen naam gecombineerd. We zagen al hoe werp, het eerste voorbeeld het beste, datta tikka, ingeleid werd

met moena. Toen er 's morgens bij het wasschen wat water tegen z n been spatte, riep Keesje: moena! been ofvega! En toen hij kort daarop een koekje wou hebben, klonk het moena/ koeka efa. Nu zietieder aanstonds, datalsdie woorden gauw achter elkander uitgesproken worden, de vocatief moena vanzelf in een onderwerp overgaat Of het

De Roman van een kleuter, ó.

81

Sluiten