Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een overgangsgevoelentje aan het licht in de stomme a voor het ruiterwoord. Dit mogen we vooral aannemen om het volgende voorbeeldje, waarin wij nu ook eens duidelijk de heele innerlijke bijeengroepeering van zoo'n drieledig zinnetje kunnen volgen. Keesje had gedroomd dat moeder uit haar bed gevallen was, en aanstonds bij het ontwaken, riep hij uit: fat! Dat is het gezegde. Na een oogenblikje: fat a bed. Nu zit er een voorwerp of bepaling op. Na weer een oogenblikje: Moena fat a bed (moeder valt uit het bed). Nu staat er ook een onderwerp voor en is het driemanschap dus kompleet. Wat een kind in korten tijd al niet leeren kan! Ja, een kind is een wonder wezen. Als wij alles nu met ons klaar verstand nog eens opnieuw konden beleven in de volle naïveteit van toen, dan zouden we nooit uitgeroepen kunnen komen over dat aardsche paradijs.

KINDERGEDACHTEN.. :-: :-: :-: door Adama van Scheltema

Het regent, — o wat regent het! 't Is of de regen samen praat.

Ik hoor het uit mijn warme bed. Of dat een kérel buiten staat

Ik hoor de regen zingen, — Te fluisteren aan je ooren.

Het regent, regent dat het giet ~ Nqu ^ faet m ^ open gras É

Dat niemand daar nou iets van ziet Nqu ^ ^ wd een groote plas

Van al die donkre dingen. Qp alle wegen komen. -

Het ruischt en regent en het spat — Nou loopen nergens menschen meer —

Nou worden alle boomen nat Verbeel je eens in zoo een weer —!

En plast het in de slooten, — Daar wou ik wel van droomen.

Het regent over-overal-! En vroeg morge, in de zonnesehijn.

O he! - daar loopt het zeker al Ak dan dc blaadjcs ^ 2ijn

Bij straaltjes uit de goten! Met bepereld -

Wat is dat gek en leuk geluid! Dan doe ik toch mijn eigen zin: —

Wat is dat lekker om dat uit Dan loop ik héél — en héél ver, in

Je donker bed te hooren: — De schoongeworden wereld!

JANNEMAN. Uit: „Hollandsen Binnenhuisje", door Johanna van Woude. 't Was toch een koninklijk kind, onze Janneman, als hij daar zoo in zijn wagentje lag en de wereld rondkeek of ons toelachte, of als hij in zijn bedje en met de hand op het water sloeg, zoodat het rondspatte, waarbij mama's geveinsde schrik hem deed schateren, telkens, telkens weer. En later, toen hij loopen kon, wat een pret haar te ontvluchten, als hij zijn hemdje weer aanhad, en op zijne bloote, mollige voetjes de kamer rond te trappelen! Voelde hij dan nooit kou. Maar daar scheen onze Jan ongevoelig voor te zijn. „Onze Jan!" Wonderlijk, we vonden 't zoo'n heven naam en maakten er honderd variaties op. Hij had geen krullebol, zooals men kinderen steeds ziet geschilderd en gebeeldhouwd ; hij had 'maai heel gewoon recht haar, maar Albano had hem gerust kunnen opnemen tusschen zijn „Dansende kinderen", zonder het geheel in 't

86

Sluiten