Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor later. En nog zijn dat geene begeerten, maar een glans van „schoonheid" die een oogenblikje in hunne oogen lacht, met, er nevens, een ongeloovigen: „ t en zal geen waar zijn!" Zij wonen ginder aan de bosschen, onder 't hout. Een lucht van wilde natuur doomt uit hen, bekoorlijk en benauwlijk. .— Benauwlijk? Er is iets in hen, dat mij ontsnapt, dat ik nóch geleiden, noch genaken kan; dat buiten mijn woord en leering. ligt, dat als de wilde natuur zelve is, die uit den grónd in groeite werkt ta genietend leven, ta boom- en boschwezen. — Zij zijn bekoorlijk. Beziet ze daar, vrij, los, onbezorgd, buiten menschenoog en menscbenwil en menschendwang, leven tusschen de boomen, op het mos, of liever op die gladde groente van sperreboschgrond. Het mos, hier en daar, priemt er door en groeit nevens en rond de boomen. Zij liggen daar, geheele avonden, somtijds geheele achternoenen, plat op den buik, het kopken op de handen boven de ellebogen, die schooren op den grond. Zij kijken ta de verte onbepaald, en horken ta de verte, naar de vogels, naar het wild, naar het bosch en de boomen, De wind waait anders voor hen; de hemel spiegelt anders, de vogels schuifelen anders, het wilt wipt anders onder het sperhout. Zij hooren stemmen en geruchten van lijze bladeren, die kraken en die andere kinderen nooit hooren zouden. Zij zien een pijlken, dat roert, en spannen ooge en oore en nek: daar zit hetkeunl Zij zijn geboren en gegroeid ta die boschstilte, ta dat boschgewaai, ta die boschreuke, ta die eenigheid, ta die verlaten wildheid. Dat al zit in hun lijf ert ziel. Het is een deel van hun eten en drinken. Zij ademen? er ta met borst- en longernood. — „Zij kunnen veel" ook, en hun lichaam heeft een ander wezen en groei en bewegen en veerdigheid. Zij klemmen en klauteren licht en los op de boomen. Hunne armen en handen, hunne beenen en voeten zijn boomgewend. Het gepeis ervan alleen doet lijf en leden, spieren en zenuwen spannen. Zij hebben anderen mond en lippen, uitgegroeid naar anderen nood en genot en dagelijksche doening. Zij tjoeken, zij tjietren, zij tjiepen, vinken en slaan en dragen allen vogel- en wildroep ta fonge «n keel. Hun lijf schoort en duwt, wipt en stormt, springt en danst ta mager staal. Natuur doorpriemt hun wilde wezen. LIEVELINGSKIND. :-: :-: :-: :-: :-: door Felix Rutten. Blond kopje ta bloeiende lentepracht De lente zal welken, kind, veel te vroeg; Met bloemblauwe oogen, waar zonlicht ' En 't licht, dat vreugde ta je leven loeg,

[ta lacht, En haar geur zal vergaan als een En zonnige lokken, met zonneglans [stervende zucht.

Omstralend dat kopje als een heiligen- Verbleeken 't lokkende blauw van de [krans. [lucht Er moest om je heen immer zonnegoud Maar bloeien blijft, wat geen herfst u [zijn, [rooft, Téerwitte seringen en geur'ge jas- De krans mijner liefde om je blonde

[mijn, [hoofd. Blank zij jige leeljen en rozenazoom: En de wijdingen mijner handen vroom: Eén zonnige zalige zomerdroom. Eén zonnige zalige zomerdroom.

89

Sluiten