Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nabootsing-waren van vies /Sedertdien heeft hij dat woord hoe langer hoe beter leeren nazeggen; en op het einde van dit jaar zegt hij, bij alles wat nat aanvoelt, z'n neusje optrekkend: fies! Toen nu moeder in dezen tijd eens bij hem kwam met een natte schort aan, klonk het verwijtend: fiezs moena En dat hij hiermee inderdaad, niet de natheid zelf, maar z'n gevoel van afkeuring voor de natte schort bedoelde, bleek kort daarop, toen bij heel koeltjes konstateerde dat hij het in z'n bedje gedaan had, met de woorden: bed nat, maar een vliegje, dat hem voortdurend op z'n gezicht kwam zitten, wegjoeg met de uitroep: fieza fieg / Z'n tevredenheid over het eigen kunstwerk, toen hij met z'n bouwdoos aan 't spelen was, luchtte hij met een bewonderenden uitroep: moois \ Een opvallend kleurige broek met rooi'a boek. Bij alles wat hem goed aanstaat roept Keesje iefl

6. Gevoelsuitroep ^u z$n ecnter die middelpuntzoekende uitroepen van. pius substantief, bevredigden honger en bevredigde liefde beide, waarlijk niet zonder reden aan de figuur van moeder gaan

vastzitten, en heel welsprekend drukt hij de combinatie dezer beide blijvende gevoelens uit in de woorden: soera moena (zoete moeder). Naast moena is echter ook de oda (honing) lekker. Daarom noemt hij die fieta oda. (We zullen het ontstaan van het woord fieta latex verklaren). Maar spoedig daarop zegt hij nu ook: fieta moena (zoete moeder). Behalve oda is ook koolraap in dezen tijd zijn lievelingskostje. En hij noemt dit, met smakkende tong en van verlangen schitterende oogjes: ekka kooraa (lekkere koolraap). En het natte gevoel onder z'n neus vertolkt hij al zeer juist met: vuia neus. De heerlijk koesterende zon begroet Keesje met mooi weer. Z'n verwondering en ontzag overeen voor hem buitengewone hoeveelheid baksteenen, drukte hij uit met: choota oop (groote hoop).Voor een groot paard: ooo! choo paatl Voor een nijptang met: choota chaa (groote schaar). Voor mooie rozen watts moois reuzs (o wat een mooie rozen); z'n geringachting voor een klein stukje choco: Arein stukjs of beetjs. En z'n streelende liefde voor een wit duifje met; o, wa ief duifje (o wat een hef duifje)!

7. Attribuut sub- ^en er fa 3311 tc twijfelen, al de eerste attristantief of infini- buten of bijvoegelijke naamwoorden van Keesje zijn tief. gevoelsuitroepen. En daarin staat Keesje niet alleen,

maar zoo is het weer met alle kinderen. Nu begrijpen we ook meteen, waarom de attributieve adjectieven in tegenstelling tot het predicaat in het begin altijd voorop staan. Het gevoel is in al deze verbindingen de hoofdzaak. Daar gaat Keesje z'n aandacht heen. En het substantief erachter is als het ware een bijgevoegde verklaring, net als hierboven in de interjectioneele zinnetjes: auw kouf en auw boek. Het verschil tusschen soera moena en auw kouf ligt echter hierin: dat soeta een allang bekend gevoel beteekent, dat in Keesjes hoofdje aan de bekende figuur van moeder Vastzit, terwijl auw en het bekende kouf puur toevallig

91

Sluiten