Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wippen even vastgrijpen. En dat vastgrijpen der handen noemt hij: oocha. Nu echter is het raampje alweer grooter geworden. Wel is het eerste meisje reeds bijna weg, maar haar grijpende hand ziet bij nog, en bovendien het tweede meisje heelemaal. En dat noemt hij nu zeer terecht: ooch» sikka, oocha aasja, ooch uis! Kort daarop volgde in de huiskamer, terwijl Keesje van de eene naar de andere kast liep: ook kats (ook kast). En bij 't namenvragen vroeg hij sedertdien den tweeden en derden keer altijd: oocha dit, oocha dat (en dit, en dat), 't Is duidelijk: ooch(a) beteekent hem nU niets anders meer dan een overgang zijner aandacht van een ding, naar een ander dergelijk ding. Wat later zei hij, toen er een soldaat voorbijging, eerst Oopiet, en toen er na eenige oogenblikken weer een voorbij het raam kwam: Weer Oopiet (weer een soldaat). Soms zegt hij ook nog in hetzelfde geval: bad! (blad, nog bad: nog een blad). Chou paas beteekent: gauw op z'n plaats.

Reeds heel vroeg kwam, gelijk we gezien hebben, bij ontkemdn '^suo- Keesjeya fa zoo'n verbmd^

standef en verhaspelde dit woord tot puf. Toen vroeg moeder

om hem de juiste uitspraak te leeren; „Wil je brood?" En Keesje maakt ongeduldig een einde aan al dat getalm, en zegt kortaf: ja boot. Waarschijnlijk echter voelde hij toen deze beide woordjes nog als twee afzonderlijke zinwoordjes. In dezen tijd nu, komt naast het alleenstaande of absoluut gebruikte ja, in attributieve wendingen: wet (wel) in gebruik. „Wil je geen kaasje? — Wee kaasja (Ja, wel kaas). En naast het absolute neen verschijnt het attributief niet, voorloopig in den onbetoonden vorm na: na choet! (biet goed!) We kunnen dus deze nieuwe vergelijking opstellen, neen: niet = ja: wel = bah: vieze. Spoedig worden nu verschillende van deze verbindingen weer als gezegde met een onderwerp gecombineerd; en zoo ontstaan dan weer nieuwe soorten van drieledige zinnetjes naar het voorbeeld van foga boom en waf waf hek: Tok chou paas (De stok gauw op z'n plaats). Cheut chou paas (De sleutel gauw op z'n plaats). Maar ook hier worden die vluchtige gevoelentjes spoedig tot gevoelsherinneringetjes verkristaUijnd. We zagen in het laatste voorbeeld aan den onbetoonden vorm na al, dat niet hier heel weinig accent kreeg. De aandacht concentreerde zich dus op het naamwoord. Maar dan moet, juist gelijk in moederlief ook hier weer het naamwoord voorop komen. En dat hooren we dan ook weldra uit Keesjes mondje.

„ . , . Naast uit bed verschijnt nu bed uit. Toen Keesje van 8 woord" de wandeung thuis kwam in die dagen, en weer den

u l hoogen stap moest doen om op de stoep te komen voor

de huisdeur, zei hij tot moena: ditta oep (hier op: hier moeten we op). En toen hij den volgenden morgen in het bad moest, riep bij: bad in. En toen vader met den tram vertrok: tem mee. Dat zijn nu eens mooie kunstjes,

98

Sluiten