Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dekken?), op-papa., (oprapen) offouiva (opvouwen), rats wassa (straks wasschen), efa komma (even komen), nie puucha (niet spuwen), nie kappa (niet krabben), nie oeSja (niet hoesten); ekka arijt (genoeg gereden), lekka luist (lang genoeg geluisterd), en weldra, als ze wat afgestompt, en tot zwakke overgangs-konstateerinkjes geworden zijn, ook weer er achter: boeka kijka sama.

In deze stelling komen ze nu ook bij konstateerende +overan° swoord persoonsvormen voor. Als Keesje een bus of iets ~*~ ' dergelijks ziet open of dicht gaan (wet nog lang een

heele verrassing of teleurstelling blijft), zegt bij: toet opa (het gaat open) toer tich t (dicht). Heeft hij lang naar iets getast, zonder het te kunnen grijpen, en krijgt hij. het nu eindelijk te pakken, dan juicht hij: pak fasj (tin heb het vast); eens toen hij wegloopende plotseling bleef steken, door z'n mouwtje, dat onder de plank der naaimachine vastzat, knorde hij: sit fas (ik zit vast), en weldra ook met een onderwerp erbij: da chaa nier (dat gaat niet). Toen Keesje eens de deksel van de theebus wilde afdoen, lukte hem dat niet, en hij zeide: kattiet (het kan niet). Daarna keerde hij de bus om, en probeerde er den bodem af te halen, wat natuurhjk nog veel minder ging: ook kattiet, zei Keesje. Dus weer een nieuw drieledig zinstype.

, Daar Keesje nu echter die overgangsgévoelentjes in al n swoord dcze Combinaties niet zoo lijdelijk meer ondergaat, a)Tpra»d1caat. maar ze min of meer zakelijk begint te konstateeren, of ze zelfs als machthebber gaat afdwingen, ligt het heelemaal in zijn lijn, juist als vroeger de attributieve gevoelswoorden, nu ook de overgangswoordjes als zelfstandig gezegde te gaan gebruiken. Koek af (weg met de koek) komrnandeert Keesbaas, als bij z n maagje vol heeft. Tasjaf, beveelt bij aan moeder, als hij wil, dat ze hem haar taschje afstaat. Toem uit, als de stoel omhoog gezet moet worden, om er op te rijden. Maar ook bij zakelijke konstateeringen! Zoo zei hij: weg hoed, toen z'n muts op de draaitafel plotseling van hem weg draaide. Kooraap op zucht hij somber als bij teleurgesteld het pannetje leeg vindt. Tem pot (m'n tram is kapot) klaagt hij beteuterd met de stukken inrz'n hand. Da moena weer of moena thuis is de juichkreet, als hij na een grauwen tijd van eenzaamheid weer moeders gulden tegenwoordigheid begroet.

Bij voorzetsels komt dit gebruik in groote menschentaal bijna OEFENING, ajjegn meer voorm staande uitdrukkingen als: kopje onder, beentje over, haasje over en commando s als: schoenen uit, handen op, enz.; maar toch ook weer ta een soort primitieve beknopte bijzinnetjes: 't Werk klaar, dat praat prettig. De deur altijd dicht hoeft ook niet. De wind van achter, dat vaart lekker. Sigaren op, dat is een kruis. Al z'n kinderen weg, dat zit eenzaam voor een ouden vader. Met het koppelwoord is zijn ze daarentegen zeer frequent: 1° Vul eens ta: De boot is aan. De kerk is ... 'tls ...

100

Sluiten