Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven op het substantief gaan zitten, en is in Keesjes oogen dus verreweg het voornaamste. Maar gelijk we toen ook al zagen, is dat baasspelen, van

een anderen kant beschouwd, juist een soort ondergeschiktheid of af hankelijkheid tenminste. Want wie boven op iemands rug zit, is zoolang hij blijft zitten, ook geheel en al aan den ander overgeleverd, waar die hem ook naar toe wil dragen. Zoo gaat het nu ook met deze bijvoegelijke bepalingen, die (gelijk we later nog uitvoeriger zullen zien) ten minste in hun uitgangen, weer van het substantief af hankelijk zijn. Want ook Keesje zegt al: mooi weer, (l)ief duifje, maar rooia b(r)oek en rieva jong», omdat broek vrouwelijk en jongen mannelijk, maar weer en duifje onzijdig zijn. Niet dat hij die termen kent, of zelfs de reden weet, maar omdat hij moeder dat ook zoo hoort doen. We kunnen dus een bijvoeglijke bepaling bij een substantief gevoegelijk voorstellen: als een jongen die Op den schouder van een anderen jongen zit(Fig. 16). Het eenig verschil tusschen een adjectief-substantief- en een object-praedicaat-constructie is: dat het praedicaat heelemaal vooro verloopen d bi j n a onkenbaar

is, en het object dus op z n rug kan zitten (Fig. 15), terwijl het substantief als „ouwe bekende" nog aanstonds in het oog valt, en rechtop loopt, zoodoende dat de baasspelende kleuter (in Fig. 16) heelemaal op z'n schouders moet klimmen. 28. Nevenschik- Naast al deze onderschikkende verbindingen zijn er nu kende verbindin- nevenschikkende aan het opkomen. Vroeger had gen. Keesje, toen hij eens een vrouw met een meisje zag

aankomen, en dus in zijn gezichtskring vrouw en meisje samenvielen, deze gebeurtenis eenvoudig gekonstateerd door het primitieve nominale zinnetje: fóu meisja net als kacha fuita en auto piep. Maar sinds

Fig. 16. rooia bftjoek. (Rooie broek).

103

Sluiten