Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordjes tusschen twee onderschikkende leden. Later zal dit weer een klein beetje ingewikkelder worden, maar veranderen zal dit onderscheid eigenhjk nooit. Want de onderschikkende voegwoorden berusten in hun kern op voorzetsels, gelijk we aan hun vorm nog zeer duidelijk kunnen zien. Al de van nr. 25 tot nr. 29 besproken bepalingen en uitbreidingen waren aanvullingen der nominale deelen van den enkelvoudigen zin. Zien we nu eens naar de aanvullingen van het werkwoordelijk gezegde.

" Om deze echter goed te begrijpen, moeten we eerst nog 30. Nevenschik- gensopde versmelting van onderwerp en gezegde terugking, onderschik- komen fju Keesje in de praktijk de nevenschikking van KW* 8amCn de onderschikking heeft leeren onderscheiden, merkt *C^^9' hij gauw, dat de versmelting van onderwerp en gezegde

ook veel van beide schikkingen wegheeft. Juist als daar. worden ook hier tweewoorden tot één bedoeling verbonden; het eenig verschil is. dat de onderschikkingen en nevenschikkingen uit twee jongens bestaan, die zoodra ze voor het raampje van Keesjes bewustzijn komen, aan of op elkaar vastzitten, en dus altijd samen manceuvreeren; terwijl de eigenaardigheid van het onderwerp-gezegde-spelletje juist hierin bestaat: dat twee aanvankelijk gescheiden jongens of groepen van jongens, juist voor het raampje elkaar te pakken krijgen, maar dan ook ineens verdwijnen. Van een eigenlijke neven- of onderschikking is hier dus geen sprake, t Is meer een naar-elkaar-toeschieten. een toekennen van het een aan het ander, dat we dus in het vervolg maar Toekenning, PRAEDICEERING of S A MENSCHDKKIN G zullen noemen. Samenschikking als we aan onze vergelijking met spelende jongens denken, en dit spelletje tegenover nevenschikking en onderschildcing stellen, toekenning (praediceering) of oordeel meer naderhand, als we deze drie hoofdsoorten van grammatische constructies al goed hebben leeren onderscheiden, en Keesje ook wat meer macht begint te krijgen over z'n bewustzijn; want het zal in Keesjes gedachtenwereld en praten niet altijd allemaal spelen blijven! Welnu, een van de eigenaardigheden, die Keesje het eerst bij de nevenschikking en daarna bij de onderschikking geleerd heeft, namelijk.het bestaan van een overgangsgevoelentje en een daaraan beantwoordend overgangswoordje tusschen de beide leden, merkt hij nu ook in desamenschikking op. Het is hier als het ware, of de grijpende hand van den nalooper. waarmee hij dén voorlooper bij z'n jasje pakt. een apart naampje

noodig heeft. i ... . . • j j

En nu merkt Keesje dat moeder hier ook inderdaad 31. Overgangs- vaak tusschen beide deelen een overgangswoordje inwoordjes als no- voegt. Nu hoort hij het duidelijk: is. En weldra ratelen minale koppel- nu heele reeksen van allerlei bekende zinsoortjes — maar woorden. nu aUc mct het koppelwoord aaneengeschakeld—uit z'n

106

Sluiten