Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keuvelend mondje los. Ventjaiszoet. Keesja is zoet naar' t model van: Moena soet. Becrtja soet. Da is oopa voor 't vroegere Da oopa. Daar is 't koesja weer. Da is vada weer, naai het model van Da moena weer. Moena is tem mee naar 't model van: Vada tem mee, terwijl andere nieuwe soorten nu pas goed beginnen op te komen: Is mooi 'die haar. Keesja is a bafa ionga (Keesje is een brave jongen). Da is at stouta hondja. Da is anna tem (Daar is 'n andere trem). Daar is die boerda tem weer (Daar is die beroerde trem weer). Waar is nog een non ? Waar is da tof doek toch nou ? (nu toch). Vade is met da fiets weg. Keesja is kaar (klaar) era met. 'tls a beetja nat ih da tuin (*t is een beetje nat in den tuin). Dat „is" een werkwoordsvorm is. die iets te maken zou hebben met bejja (ben je) en zón. die hij wat later van moeder begint na te zeggen, komt in Keesjes hoofdje nog niet op. Dat zal hij pas later merken, en dan zullen we daar ook aanstonds de gevolgen van gewaar worden. (Zie Hoofdstuk XI).

32 Verbale k Naast is leert Keesje kort daarop nog een ander koppellwoorden. woordje gebruiken: die. Kwamen zijn en is echter

alleen voor nomina en gevoelswoordjes voor; d i e schijnt vooral bij persoonsvormen van het werkwoord thuis te hooren. Had hij eerst van moeder geleerd: meisja schrei, nu gaat hij zeggen: Piet die reef (Piet die leeft). Da is Oopa, die doe piep piep. Dat zich hieruit later de relatiefzin zal ontwikkelen, kunnen wij in dit laatste voorbeeld reeds zien aankomen.

OEFENING m de dagelijksche omgangstaal van groote menschen komen

die en dat, als koppelwoord nog dikwijls voor. Dit is vooral het geval, wanneer het onderwerp reeds een bepaling bij zich heeft, 't Is net, of het dan al te groot van omvang wordt, om zoo zonder meer met een gezegde verbonden te worden. Het koppelwoord maakt dit dan gemakkelijker. Dikwijls is er dan ook een kleine pauze na het onderwerp. Vul eens in: m'n oudste broer, ... is in de Oost. Zulke malle dingen ... houden toch geen stand. De Boonekampe ... zijn jeneverstokers. Weit.... is tarwe Luitenants,... zijn ook officieren. De Ruiter en Nelson, ... waren admiraals. Al die praatjes, ... is maar gekheid. Onze naaste buurman, ... was pas verhuisd. Neeterson, ... is notaris te Delfzijl. Bloemen,... wil hier niet best Al die menschen in huis,... geeft maar drukte, jan en Frans, ... waren familie. Kaat en Betje, ... zijn nichten. Wikerwten ... is onkruid. Zulke handelslui ... zeggen maar wat.

33 De bi'woorde- hebben de bijvoeglijke bepalingen met de substantiva li'ke be alin en" a^ naamwoorden gemeen, dat ze voor Keesjes be-

' wustzijnsraampje rustige, ja luie jongens lijken, die altijd maar willen zitten, en liefst nog goed vast bovendien; de bijwoordelijke bepalingen sluiten zich hier natuurhjk weer bij .de bewegelijke werkwoordsjongens aan: Als zij zitten, zitten ze los, maar gewoonlijk zijn ze in volle beweging en duikelen of kruipen over werkwoord en

107

Sluiten