Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij het gezegde of werkwoord op; eerst bij infinitief en imperatief: har toe vada chooi» (ik wil den bal naar vader gooien). Fig. 21. In Keesjes bewustzijn lijkt zoo'n voorzetselbepaling op een klauteraar, die van het werkwoord boven op het object klimt: z'n klauterende beenen en knieën drukken het verbandsgevoel uit. Als bepaling hoort hij bovenop het werkwoord, maar hij domineert behalve het werkwoord ook het voorwerp. Van dezelfde soort zijn: Chei uit medda eherach (schei uit met dat

Fig. 20. Keesja heef nie waachja meet {geen wagentje).

gelach). In da tuin zoeka. Keesje mè vada pata (Keesje wil met vader praten); maar weldra ook hooren we konstateeringen: sit e man onda bed (er zit een man onder 't bed) (dat had hij natuurhjk gedroomd). Moena bgf bij Keesja (moeder blijft bij Keesje), 'f Is na huis gagaan. Da maan rijdt op da rook (de maan rijdt op den rook). De poes riep doo da sneeuw (de poes liep door de sneeuw). Keesja is in da boom gekomma^ (geklommen). Dat zulk een voorzetselbepaling ook al spoedig als attribuut bij een onderwerp kan voorkomen, zien wij aan het boven reeds aangehaalde zinnetje: Koer a man emmer an. (Daar komt een man met een emmer aan). , ,

In al deze gevallen is het overgangswoordje een echt 35- Voorzetsels voorzet3Ci. Maar nu komen ook dezelfde woordjes en bijwoorden. substantlef & bijwoord voor: Gaaf Kese

110

Sluiten