Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streven nog heel duidelijk doorschemeren. Aan het zinnetje: Pop eef vuia neus niet beantwoordt dus voor het raampje van Keesjes bewustzijn deze groep van spelende kinderen (Fig. 22).

36. Voorzetselbe- ^at de» voorzetseu^altagen nu verder gerust naast paling achter het 601 voorwerP kunnen staan, zonder er nog verder mee voorwerp. verward te worden; zagen wij al aan: bar toe vada

choota, maar blijkt vooral uit volledige zinnetjes als: die chaf am an finka kap om 't oor (Die gaf hem een flinke klap om 't oor) dat uit een versje was nagezegd, en uur dber a man a paat (Ksst doet de man tegen 't paard), wat zelf gevonden was. Al is in dit laatste geval de praepositie nog onduidelijk, de ingeoefende woordschikking, juist in dit soort zinnetjes voor geluiden, maakt alle vergissing onmogelijk.

37. De bepalingen at van mect ^ aan m heele geschiedenis van dit vormen een enkele hoofdstuk uitkwam, is het duidelijk bijeenhooren van al groote groep. de bepalingen. Hoe verschillend ook de lotgevallen en

de kombinatiewisselingen verloopen, in het begin-en in het eindpunt beide: staan ze alle op één en dezelfde lijn. Geen enkele der behandelde bepalingen ontwikkelt zich toch, gelijk sommige taalgeleerden meenden, uit versteende gezegdes, maar alle zijn voortgekomen uit verkristallijnde gevoelentjes en wel: de zoogenaamde attributen (zoowel bijvoegelijke naamwoorden als beschrijvende bijwoorden) uit de uitroepen van toestandsgevoelens voor wel en wee; en al de zoogenaamde onverbuigbare woordjes (zoowel voorzetsels, voegwoorden, aanwijzende bijwoorden, als koppelwoorden) uit de interjecties voor overgangsgevoelentjens. De emotie, het gevoel was dus de meet, waarvan ze alle zijn vertrokken. En waar komen ze nu aan, ten slotte? Alleen, of gekombineerdmet substantieven, zijn ze allemaal bijvoegsels, toevoegsels geworden bij de drie hoofddeelen van den enkelvoudigen zin: attributieve toestandsbepalingen bij onderwerp, naamwoordelijk gezegde of voorwerp, en verbede overgangsbepalingen bij het werkwoordelijk gezegde.

38. De vier ontwik- ^aar niet 3^hts het begin- en het eindpunt zijn hetkeiingsperken van 2eu^e» °°k het tijdperk, waarin ze zich ontwikkelen, het eerste taaijaar. voor alle, *lk goed verzorgd normaal kind, juist

dezelfde: de laatste drie maanden van het tweede levensjaar. Want al hebben wij in dit hoofdstuk, om wille der Volledigheid, reeds menig voorbeeldje uit Keesjes derde levensjaar aangehaald, dê typevoorbeelden komen alle reeds vóór het einde van het tweede levensjaar op. Na het Zinwoordstijdperk kwam dus het Zelfstandig-Naamwoordentijdperk. Toen ontwikkelde zich in het Werkwoordstijdperk de enkelvoudige drieledige zin, en daarna volgde het Bepalingstijdperk met bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voegwoord, voorzetsel, en partikel in den vier- en meerledigen zin. En juist die eenheid van

De Roman van een kleuter.

113

Sluiten