Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd met de eenheid van aankomst- en uitgangspunt verbonden, bewijst

ten slotte opnieuw, dat achter al die ontwikkelingen ook één werkende

oorzaak, een modelleerend beginsel schuilt ; het rijp worden van het verstand, om de fijnere gevoelsnuances in de herinnering te beamen en langzamerhand ook half te konstateeren; wij noemden het reeds met een

anderen naam de kristallizeering van gevoelen tot bedoelen. HEETE POOTJES :-: :-: :-: V% >: W Guido Gezelle.

Een schatkaard had een bie gevaan Doet toe. want 'tgaat ontsnappen, zeg!

En hield ze bij heur vieren»): 't Kind hield zijn handje toe: „Nie' „Komt hier!" — hij zag een jongske [waar,

[staan! — Hoe schoon dat is, hoe lieflijk!" „Komt hier, mijn knappe kerel! Maar 't kindje wierd te laat gewaar: Hier heb ik zulk een schoon fatsoen Hoe schoon en hoe bedrieglijk. Van beestje, ik Wil 't u geven: Het Bet zijn beestje los, en 't loech Past op maar van 't met dood te doen. De traantjes uit zijn oogskes [genoeg. En laat het beestje leven. [weg!" En zei 't: .Het beestje is schoon Kom aan! Je hand! Doet toe, 't vliegt Maar 't heeft zulke heete pootjes". 'T IS MAAR VOOR EEN KIND. :-: :-: door Justus van Maurik. Ik wandelde eens op eenen morgen de aandacht van den doodgraver, die buiten de stad. Toevallig voerde mijn nieuwsgierig opkeek, zijne handen op weg mij langs het kerhof; 't bek er van de spade steunde en mij toeriep: stond open en in gedachten verzonken, „Morgen meneer! lief weertje meneer!" betrad ik onwillekeurig den dooden- Hij had gelijk, 't was een heerlijke akker, 't Was nog vroeg en niemand morgen: de zoele zachte zuidenwind bevond zich daar dan de doodgraver streek balsemend over de graven, die, een graf delvend, smakelijk zijn stoeide met de lange grashalmen, ritpijpje rookte selde in de heesters en ruiscbte door Hij zag mij niet en werkte vlijtig door; de toppen der boomen. Heerlijk scheen nu en dan poosde bij even, smakte op de zon op de groene zoden, glansde zijne pijp en blies den róók met kracht op de gladde zerken en tintelde in de omhoog. grasbloempjes en klaverblaadjes, nog De blauwe damp bleef eenige seconden nat van den dauw. lang boven het open graf hangen, werd Goude, oude zon! ge beweldadigt ook ijler en ijler en loste zich eindelijk de dooden, wam hunne kille rustplaats geheel op in de warme heldere zomer- overgiet ge met licht en warmte; ge lucht ontneemt aan het kerkhof de somberWonderlijk beeld van het leven, vluch- heid des doods en spreekt van leven 1 tig als die rook, even ijl en even dicht — nieuw heerlijk leven! bij het graf. Zonderlinge tegenstelling, maar daarIk naderde: mijn voetstap klonk hard om des te treffender. en luid op een'zerk en wekte daardoor „Lief weertje meneer! herhaalde de 1) vlerken.

114

Sluiten