Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en als één eigenaardigheid van een of andere beweging bedoeld, b.v.. Koer Keesja bed uit, of Koet Keesja uit bed, waarin de twee laatste woorden dus een bijwoordelijke bepaling of een voorzetselbepaling zijn gaan beteekenen.

Dit alles is eigenlijk slechts een moeihjker herhaling ^ u a enem,en7e van wat hij vroeger met z'n eerste imperatieven en t^werkehlfheid' "' dwingwoordjes gedaan had. Ook deze waren aanvan* kelijk slechts een innerlijk gevoelentje naar aanleiding van de indrukken der buitenwereld, maar juist uit deze innerlijke gevoelentjes hadden zich door het opkomen der gedachte, der aanwijzende bedoeling van de buitenwereld: de konstateeringen, de eerste instantantékiekjes der werkelijkheid ontwikkeld, die hij met z'n eerste zinwoordjes vertaalde, en waaruit later weer de portretten der oude bekenden of de substantieven zijn voortgekomen. De bedoeling of de gedachte gaat, van nu af hoe langer hoe meer, de eigenlijke hoofdbeteekenis worden van allerlei woorden en constructies. De voorstelhngen zijn er het geraamte, de gevoelens er slechts de fijnere nuanceeringen en omtrekken van. De bedoeling zingt solo, voorstelling en gevoel accompagneeren den zang: als piano en viool. De gedachte gaat van nu af aan de taal beheerschen, zonder evenwel de verbeelding of het gevoel te versmoren. Echte, levende, schoone menschen taal is als een zwaargel aden boomgaard, waar de voorstellingen het dragende hout, de gevoelens de aldoor wemelende bladeren, en de gedachten het stille, ionde, sappige ooit van zijn. Maar in Keesjes taalboogerd is het ondertusschen nog lente, is het nog Mei. O zeker, vele vruchten hebben zich reeds gezet Maar er bloeien ook nog heel wat teere bloesembladerkroontjes, die nieuwe vrucht beloven, en de reeds geschapen vruchten hebben nog niet den vollen rijpen wasdom.

v • -ut Zien wij maar even nader toe, hoe Keesje nu de dingen l^Keemes inbeet- der buitenwfci~ld bedoelt en opvat Voor den volheel onzakeLk*09 wassen mensch zelfs, scftynf z'n eigen ik de helft van het * heelal. Is bij nederig en bescheiden, dan weet hij, dat dit toch maar schijn en inbeelding is, en wordt datbalve heelal tot een weinig beteekenende minderheid teruggebracht. Is hij trotsch en aanmatigend, dan groeit dié helft tot een overwegende meerderheid aan. Al naar gelang 's menschen wijsheid en deugd, of dwaasheid en eigenwaan: wordt hij beheerscht door beschaafde-hoogere of onbeschaafde-lagere neigingen, die heel z'd gedachtenloop bepalen. Ook een bescheiden deugdzaam mensch kan het weliswaar niet laten, bij elke nieuwe opvatting van onbekende dingen: zich zelf en z'n vroegere ervaring tot maatstaf te nemen; maar dank z'n hoogere neigingen, corrigeert hij die opvatting: door ze te vergelijken met de opvatting van andere menschen. Maar een trotsch en verwaand mensch wordt er door zijn lagere neigingen toe

124

Sluiten