Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is nog in luidt het klagend. Zoet is natuurhjk ook allerlei. Eerst Keesje en moeder: Keesja soet, moena soet. abbei soet; maar verder al zijn speelgoed, het beertje, de kaars, tot zelfs de kamerlamp toe: beetja soet. kaas soet. icht soet. richt (licht) soet, en dan ten slotte weer, het zoetste van allemaal en attributief, dus blijvend: soe moena! 't Zijn allemaal kindjes die boterhammetjes eten en kroesjes melk drinken. ->«•!« ^ _xt Zelfs den avond vat hij als een persoon op. En er kwam 20.Nata«rmythen. tijd. dat hij z-n eigen vader, die altijd pas Wonds thuiskwam, met den avond ging verwarren. Daar hem nu de avond, omdat hij dan naar bed moest, niets beviel, begon hij in tyrannieke verbolgenheid z'n vader allerlei onaangename dingen naar het hoofd te slingeren. Toen stond echter moeder op tegen Zijne Majesteit, en zij werd boos en gaf er hem geducht van langs. Toen vond hij het toch maar beter te zwichten, en zei het niet meer, want met moeder blijft bij toch liefst op goeden voet. Een maand tevoren interesseerde hem vooral de maan. Hij had dikwijls hooren zingen: „ziet de maan schijnt door de boomen", en kon dat versje al heel goed nazeggen. De wolken noemde hij gewoonlijk rook. En toen nu op een avond de volle maan achter de wolken uitrees, riep Keesje verheugd: da maan rijdt op da rook. da maan zit op de rook; da maan zit op da worka (wolken); en een anderen keer: nu fcomr da maan op da wovka, nou roopt (loopt) da maan, nou staat ie stir (stil). En na een tijdje: da maan rijdt op da booma. da maan zit op da booma enz. -71 in*, r Voor wat ZCflt cteP3 fret slaapt); voor z\. uitvoering. watict9^aanraakt; era, of bijta. Zoo kwam

z'n speelgoed-huisje, dat op tafel stond, door een stoot van hem zelf, tegen z'n koekje aan, en dat was niet naar z'n zin: 't hutsja wil da koek eta riep hij jaloersch. Ook over z'n eigen handen en voeten spreekt hij alsof het personen waren: 'thandja wit da koek era (pakken), foetja wit kaars opera en meteen pakt hij de kaars tusschen z'n teenen, foetja wir bijta. juicht hij verder, foetja wir jasja pakken. Foetja pijn. Foetja kusja geva (ik zal het voetje een kusje geven). Nu gaat z'n aandacht weer naar de kaars: Keesja mag kaars peta (met de kaars spelen). Kaars eef nie tijd Kom maa tiche (liggen) zegt hij tegen de kaars. Keesja kom bij ja ticha. Met z'n trein spelend, wijst hij moeder de blinkende ruitjes aan: daatzijn da taampjas, dat zijn da oogjas, tein heeft ook oogjas. Op een avond had hij met vader een heele boom opgezet over een stoomboot uit z'n prentenboek, s Nachts had hij er blijkbaar over gedroomd, want den volgenden morgen vroeg had hij het voortdurend over de boot: boot cha weg. bootcha bootampja eta. doet poet, (met heel lage stem) kleine boot doet poet (met heel hoog stemmetje), boor cha na stad. Van dat geluid nabootsen, komt hij nu echter weer op nadoen, en dat wijst toch reeds weer een klein beetje in de goede richting. Hij begint nu toch weer wat meer aandacht te

126

Sluiten