Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wind, gelukkig als een kind in de armen zijner moeder.

Het geheele groote, grijs-groene tarweveld was vol aren en stroohalmen, en boven aan den blauwen hemel stond een stralende zon, en alle leeuweriken zongen van het aanbreken van den dag tot aan het avondrood. En als de zon •onder ging, werd het niet kil en vochtig zooals nu, maar er viel een milde dauw als een lavende drank over het zonnewarme koren, en een groote gouden maan scheen liefelijk neer op de rijpende velden.

Zóó was het in de schoone dagen, die voor altijd voorbij waren.... Want helaas I de ontzettende dag kwam, waarop de sikkel over de velden zong, en zich sissend een weg door het koren sneed.

En de bindsters volgden en het koren werd saamgebonden en op wagens geladen. Het heele veld was als een slagveld, waarvan voortdurend dooden en gewonden werden weggedragen. Daarop kwam de nog ontzettender dag in de deel toen de dorschvlegel tusschen het gouden koren ronddanste en onbarmhartig trof. als iemand, die blindelings slaat En de aren werden verpletterd, die kleine korrel families, van haar groene jeugd steeds vereenigd — en de afzonderlijke korrels vlogen naar alk richtingen uiteen en zagen elkaar nimmer terug.

Maar in den korenzak was er toch nog gezelschap geweest Men lag weliswaar een beetje opeengedrongen en het was somstijds moeilijk om adem te halen — maar men kon er toch praten,

men had lotgenooten

Nu echter was het algeheele verla¬

tenheid, treurige eenzaamheid, zekere ondergang.... De tarwekorrel wist dat hij geen vochtigheid verdragen kon, hij was in den laatsten tijd zeer gevoelig geworden. Hij bemerkte reeds, dat het in het buitenste cellenweefsel begon te jeuken en te steken.... En vochtiger en vochtiger werd het ieder oogenblik. Het kon niet lang meer duren, of de geheele tarwekorrel zou doorweekt zijn — en wat zou er dan van hem worden? Des anderen daags ging de egge over het veld en nu kwam de tarwekorrel in het pikduister te liggen. Aarde er boven, aarde er onder, aarde aan alle kanten. En vochtig was het ook nog immer.

De tarwekorrel gevoelde zich zeer ziek. Hij kreeg stekingen en krampen, het water drong hem overal door de huid, in de ingewanden van den korrel was geen droog plekje meer te vinden. Hij scheen te moeten sterven. Toen dacht hij vol heimwee voor het laatst aan zijn zonnige dagen. „Ach waarom" klaagde hij, „werd ik geschapen wanneer alles op zoo n verschrikkelijke manier moet eindigen? Veel beter ware het geweest, als ik het licht der zon niet gekend had en bevrijd gebleven was van dit ongeluk 1 Toen sprak een stem tot het arme, verlaten wezen, en die stem scheen uit de diepte der aarde te komen. „Vrees niet" zeide ze, „gij zult niet te gronde gaan. Geef u getroost en gewillig over — en ik beloof u een beter ik. Sterf, omdat het mijn wil is, en gij zult leven"

„Wie zijt gij, die daar spreekt" vroeg de tarwekorrel, en hij voelde zich daar-

137

Sluiten