Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

decreteert: nier racha. mag niet racha. chei uit mè da charach (gelach)! Toen op een anderen keer moeder hem met een vroolijk gezicht kwam wekken, draaide de kleuter haar boos den rug toe en mopperde: Ik vin 'tniet aadig? Wat niet? vroeg moeder. Ut vin moeda niet aadig. Ik vind Keesje wel aardig, hernam moeder. Nee, Keesja is ook niet aadig. Keesja wnocn nie wakka. En moeder kreeg nu order om heel stil naast Keesjes bedje te gaan zitten slapen. En toen moeder dat niet verkoos, en zei, dat als Keesje door wou slapen, zij stilletjes alleen naar beneden ging, kwam noodgedrongen hoogstdeszelfs koninklijke overgave: nou is Keesja wakka. 4. Zijn imperiale f*11 laatste. uitvloeisel van zijn kinderlijk egoisme. is onaantastbaar- dat niemand iets mag hebben, wat lijkt op het zijne, zelfs heid. geen naam van hem zelf, of geen woord voor een van

z'n lichaamsdeelen of kleedingstukken wil hij met een ander deelen. Want voor een kind is de naam natuurhjk één met het ding zelf. Eens kwam bij Keesjes moeder een neef op bezoek, die Kees Monter heette, t Was ongehoord, en nog wel zoo'n snoeshaan van een vreemden neef, the verbeeldde zich ook Kees te heeten. Keesje noemde hem Monter, en was er door niets ter wereld toe te brengen: hem Kees te noemen. Op driejarigen leeftijd droeg Keesje een bruine trui. Nu wil het ongeluk, dat hij een van z n vriendjes op een goeden dag ontmoet, met ook een bruine trui aan! Dat vindt bij ongehoord. En dagen en dagen achtereen, moppert hij daarover door. telkens op z'n truitje wijzend en telkens opnieuw gekrenkt: die is niet van Maarjus, die is niet van Maarjus. Dat truitje van hem, dat weet wat. daar schijnt z'n keizerlijke eigenwaarde in belichaamd te zijn. Men herinnert zich. hoe hij vroeger al auw kous en auw b(r)oek nep. en we begrijpen daaruit eenigszins de ergerlijke majesteitschennis, toen op een onheilsdag de nieuwe naaister in huis kwam die — nog wel met moeders goedvinden — zich aanmatigde Truitje te heeten. Dat is Truitje, zei moeder. En Keesje zet een paar oogen op, alsof hij de aanrandster zijner allerdierbaarste rechten wel zou willen verslinden. Wat een onzin van moeder weer. denkt bij, maar zwijgt. Den volgenden dag zegt moeder weer; dit is Truitje. En nu antwoord hij: datta juffouw. Zonder hem te willen plagen, maar eenvoudig omdat ze het weten wilde, vroeg moeder hem kort daarop: Waar is Truitje? Maar hij antwoordt giftig: ditta en wijst op z n borst. Toen dat nu zoo eenige keeren was voorgekomen, wou hij moeder toch eindelijk eens op den goeden weg brengen: hij ging naar l ruitje toe. wees naar haar bloes, en zei toen kort: ditta jasja en dus geen Truitje, weet je t nou moeder? Iets dergelijks gebeurde ook met z'n pink. Moeder zong toch nogal eens het liedje: Ik had een aardig vinkje. En hoe graag Keesje ook had. dat moeder hem bedjes voorzong raakte hq bij vinkje toch altijd heelemaal de kluts kwijt. In t begin was net verbazing, en niet goed verstaan. Maar weldra begon hij zich te ver-

Hl

Sluiten