Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(grootpa, dank u); soms ook als hij iets krijgt, maar meestal als hij zelf iets aan een ander geeft, en ook roept hij het iedereen na bij het heengaan. Dit hield hij minstens drie maanden vol. Zoo stopte bij, toen hij reeds bijna 2 jaar oud was, aan moeder z'n speelgoeddoos in de handen, met het heusche compliment: kaku moena doof (dank U moeder voor de doos). Als hij iets kreeg van vader, zei hij ook nog wel eens: kaku vaja; maar dat bleef bij een enkelen keer. Meestal beteekent „dank U" in zijn mondjedus: Wat ben ik toch een goed koninkje dat ik je dit wil afstaan!

Maak eens een opstel over Keesjes koningswaan. Er moet boven staan: De kleine koning. Daarin moet je dan juist die voorbeelden en zinnetjes uitwerken, die hier slechts terloops genoemd en uitgelegd zijn. Een treffend staaltje, hoe kinderen van dezen leeftijd bij hun beoordeeling van vader en moeder, en de heele menschenwereld, immer en altijd uitgaan van hun eigen persoontje, brengt ons ten slotte de ziektegeschiedenis van Hertha Schulz. Dit meisje in 1876 geboren werd in 1880 door een hersenontsteking aangetast, bleef dientengevolge vier weken buiten kennis, en ontwaakte ten slotte wel uit hare bewusteloosheid, maar bleef voor altijd doof en blind. En meen je nu, dat het ongelukkig kindje merkte, dat het nu niet meer was als vader en moeder? Niets daarvan. Zij, de koningin van hemel en aarde is natuurhjk onveranderlijk groot Van haar blind zijn merkt ze hoegenaamd niets. Van haar doof zijn ondervindt ze alleen dit ongerief, dat ze natuurhjk in haar opgewonden gesprekken op hare vragen van vader en moeder geen antwoord meer verneemt Denk je dat ze dat aan zich zelf zal wijten ? Dan heb je van Keesje nog niets begrepen! Hertha meent nu vast, dat vader en moeder het praten hebben verleerd. En dikwijls zegt ze dan ook, als ze zich beroept op iets dat vader of moeder vroeger gezegd hebben: „dat was toen jullie allemaal nog praten konden".

Rm. a ^e zien hieruit dus duidelijk, dat het kind nog heelemaal ommekeer811 *^ geen notitie neemt van vaders en moeders zieleleven, van hun innerlijke stemmingen of bedoelingen. En toch zagen we in het vorige hoofdstuk, dat hij op andere oogenblikken, schijnbaar daarmee lijnrecht in strijd, levenlooze en onbezielde dingen voortdurend als personen, méér speciaal als kindertjes behandelt, aan hem gelijk. Als we de zaak echter op den keper beschouwen, zien we, dat ook dit weer, juist een gevolg is van denzelfden grootheidswaan. Het kind is vol van zich zelf, van z'n eigen hef en leed, en alle woorden moeten daarvoor dienen; er is nog geen plaats daarbinnen voor het invoelen in een ander. Het voelt in alles zich zelve uit, het voelt alles van zijn standpunt. En bovendien blijkt juist uit het als-persoon-behandelen van onpersoonlijke dingen, dat hij het geweldige verschil tusschen personen en zaken nog in de verste verte niet beseft Ook vader en moeder — wij zagen het — worden als kindjes behandeld, en hoe verwaand dit ook

144

Sluiten