Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandoet, toch merkten we juist in de zinnetjes tot moeder: Zat ja nou niet chaan cheial enz., al is het nog zoo kinderachtig aanstellerig, een soort zorg voor moeder opkomen: ALS PERSOON. In dezen zelfden tijd (31*u; levensmaand) begint hij dan ook aan moeder van tijd tot tijd een klein genoegen te doen, of een huiselijken dienst te bewijzen: zoo b.v. haalt hij op haar verzoek een aschbakje uit de achterkamer, brengt hij een vuil bordje naar de keuken, haalt hij moeders schoenen van boven, en gaat zelfs, als hij, beneden gekomen, ziet, dat ze kapot zijn, ongevraagd terug om een ander paar te halen. Dus toch reeds een vaag besef van persoonlijke toewijding.

8. De gesprek- r de echte menschelijke zamenleving, het bewuste

vormen. verkeer, het samen denken en voelen, kan pas ontluiken

uit het gesprek. Nu heeft Keesje tot nu toe eigenlijk altijd TOT vader en moeder gesproken gelijk ook wij tot een hond of een paard doen, maar nooit MET hen gepraat of gekeuveld, gezellig en knusjes als gelijken onder elkaar. Maar hiertoe zal nu weer het napraten hem opleiden, als hij maar eenmaal de juiste gesprekvormen kent: de tot nu toe onverstane persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden. ..Dat mag je hebben", zei moeder dikwijls, als ze hem een ding van waarde uit handen nam, en iets gewoons ervoor in de plaats gaf, waar hij dan meestal minstens even blij mee was. Nu wordt echter mag ja emma, op tweejarigen leeftijd, in zijn mond de gewone vraag voor: mag ik dat hebben? Als moeder hem op den stoel zet, om z'n kousebandje vast te maken zeide ze vroeger nog al eens; Hou moeder goed vast, anders val je. Maar wat later voorkwam Keesje haar, met: ou moeda choe [ast, ansa (anders) var ja, wat hij echter natuurhjk bedoelde als: ik hou moeder goed vast, anders val ik. Soms lachte moeder hem uit, zoo b.v. als hij op den overloop van den trap gekomen, recht door de muur heen wou, en den anderen' trap in omgekeerde richting niet vinden kon: Wat ben je een kleine domkop! Wat ben je toch een sufkop! Maar meen nu niet, dat Keesje zich door die min eervolle betitelingen beleedigd acht; hij verstaat ze als. uitingen van z'n eigen radeloosheid. En in het vervolg zegt hij juist op denzelfden sportenden toon van moeder,, telkens als bij in verlegenheid komt tot zich zeK: hè ja keina domkop, hè ja sufkop! „Tante Waterman lacht je uit", zei moeder een maand later, toen de familie bij Prof. Waterman op bezoek was, en Keesje begon te schreien. Den volgenden dag was Keesje weer in z'n gewone doen en zei hij troostend tot zich zelf: tarra Wata lachja uit. Weer ëen maand daarna merkte moeder op, dat Keesje chrokja fan of chok ja 'n beetja van zegt, als hij schrikt, en bejja bang roept, als hij iets akelig en onplezierig vindt, en hier je dus als ik opvat-, en zij herinnerde zich toen, dat zé in dergelijke gevallen hem gevraagd had: Schrok je daarvan? en Ben je bang? Bejjazoet (nou ben je zoet)

De Roman van ren kleuter .10.

145

Sluiten