Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OEFENING trouwens ook door ons worden In verbinding met praeposities de aanwijzende bijwoorden van plaats voortdurend in de beteekenis der aanwijzende voornaamwoorden gebruikt in de zoogenaamde bijwoordelijke voornaamwoorden. Verbeter het gespatieerde: Om wat ben je zoo verwonderd? — (Waarom....) Steek je neus niet tusschen het. — ....er niet tusschen. Steek je geld niet in dat — Over wat gaat het? ~ Blijf af van het met je vingers. — Wil jenog meer van het weten? — Wie heeft het meest onder dit te lijden? Hij is door het gesleept Niets is aan dit te verdienen. Je bent goed vanhet afgekomen. Op wat zal dat uitloopen? Op

wat slaat dat? Om dit is het juist te doen. (Hierom is het juist te doen) Aan

dat ben je gebonden. Ik wist het met om dat vroeg ik het In dit heeft hij mij altijd geholpen: (hierin—) Over het heb ik lang nagedacht Het is zijn laatste poging, van deze hangt alles af. Dit dient voor alles. (Dit dient overal voor). Hij is knap in alles. In de vacantie ga ik naar alles heen. Weer of geen weer hij gaat door alles heen. Hij heeft over iets geschreven, maar over wat weet ik met meer. (Hij heeft ergens over geschreven, maar....) Dat dient voor niets. Over wat sprak je zoo juist? Over niets. Laat dat geld zoo niet liggen, doe het in iets.

Van een juiste onderscheiding tusschen mannelijk, vrouwelijk en onzijdig of tusschen enkelvoud of meervoud of tusschen zelfstandig en bijvoeglijk gebruik is op dezen leeftijd natuurhjk bij Keesje al even weinig te merken. Meestal valt het goed uit, maar dikwijls is het glad verkeerd. Da chaa niet. Da koet a man an (Dat gaat niet. Daar komt...). Pier ie reef '(Piet die leeft). Datta song solda (die zon op de zolder, hij bedoelde het kaarslicht). Ditta paadja (dit is een paardje). Datta juffrouw, ditta tuitja (dat is een juffrouw, dit is (mijn) truitje). Doe sien wat die Keesja gaat doet (Kijk wat dat Keesje gaatdoen).Moederzeinamehjkookaltijd: die Kees.dieKeesjeennooit dat Keesje. Ditta Miet (dit is Miet = ik ben Miet). Dasachooteit (dat is een groot (stuk) ei). Kijk die Keesje is fiecha (Kijk dat Keesje eens vliegen). Da chaa choet, da chaat wur (wel). Dif is pinkje. Wa sijna die nou ? (wat is dat nou?) Ditta anda moeda (dit is een andere moeder). Dattajotja (dat een jongetje). Die beta, die peert (dat is beter, dat speelt van z'n popje gezegd). Datta kuiwaacha (dit is een kruiwagen). Ditta vaja (dit is: ik ben vader). Da is da jeuk weer (daar is de jeuk weer). Da is oopa, die doe piep piep (daar is oopa, die speelt kiekeboe, gezegd van een ouden heer, die onder een parapluie langs het venster ging). Waa is 't koesja nou? Da is't koesje weer. Die gaf am an finke kap om at oor (Die man gaf hem een Mnkejdap om 't oor). Waar is het? Hier. Da is an reeka (dat is een leelijke). Dat is fan mij. Daar is die boerda tem weer (die beroerde tram), ditta kein Irokeesje (ik ben een klein Irokeesje), datta Irokeesmoena (dat is: jij bent Iro-moeder). Is mooi die haar (Dat haar met zoo'n scheiding is mooi).Diehuis (dat huis), du» waachja (dat wagentje). Ha, hier is Keesje.

149

Sluiten