Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

personen: si'r a man onda bed (27ste maand, gedroomd: er zit een man onder 't bed) an taweer (een geweer). Ten tweede: voor een soortnaam met een attributief: an finkë kap (een flinke klap), 'k zat an anda boek ata (een ander boek halen), ik zar an mooi huis bouwa. Ten derde: voor een soortnaam of bijvoegelijk naamwoord als praedicaat gebruikt: Keesja is een snaakja. Da is an teeke (dat is een leelijke). Dar is een doos ('t was een boek per ongeluk). Keesja is a bava jonga. De twee laatste gevallen zijn eigenlijk slechts nadere toepassingen van het eerste geval. Een ander boek zal ik halen, zegt Keesje welk precies weet hij nog niet; een mooi huis zal hij bouwen, maar hoe het er uit zal zien, kan hij nog niet zeggen. Hij ziet weer af van het ditta of dafra. Bij an finka kap, welke woorden hij uit een bedje kende, bleek duidelijk, dat hem klap nog onbekend was, want om er kennis mee te maken, voegde hij er aan toe: moena Keesje kap at oor geva. Bovendien kunnen wij in 't algemeen uit de gevoelde behoefte aan de voorvoeging van een nader bepalend adjectief afleiden, dat bier het ding zelf hem als iets vaags, onbekends voorkwam. In de praedicaten voelt men duidelijk de onbekendheidsnuance, als we in deze zinnetjes een door de of het vervangen, en dan beide vergelijken. Ook leert hij reeds in dezen tijd geen voor niet een gebruiken. Zoo zei hij eerst: Keesja heeft niet wagha meer, maar spoedig daarop: non eef Keesja cheen bodja (bordje) meer. In de 34ste maand zei hij bij 't nakrassen van een paar letters eerst: ak schaf niet a a, maar aanstonds daarop verbeterde bij zelf: ak schijf geen a. Ook gebruikt hij het onbepaald lidwoord reeds na wat, ter aanduiding van een groote menigte, met het meervoud van het substantief: Kijk as moeda wat an mucha,kijk de mucha is dansa. (de gewaande muggen waren dwarrelende sneeuwvlokjes). Ook hier spreekt de onbekendheids-nuance zeer duidelijk. OEFENING ^°kr'^ uit ket stakr2 over Trott eens op: al de lidwoorden met het ' volgend zelfst. naamwoord erbij; en geef voor elk geval aan: waarom hier het bepaalde of onbepaalde lidwoord is gekozen.

Met het juiste gebruik, van de persoonlijke voorn aam17. De onder- woorden als subject en object, en de werkwoordsverw^rns eD V°°r" voeging: is het echter bij Keesje nog vrij treurig gesteld. denlsten en 2den Gelijk uit de boven gegeven voorbeelden reeds bleek, persoon. gebruikt Keesje de ook bij ons veel meer voorkomende

toonlooze vormen k, ma, ja altijd veel vroeger dan de nadruksvormen ik, ikka, mij en jij. Verder gebruikt hij ik en ma, mij in de 31ste maand nog beide als onderwerp, kriskras door elkaar. Mij moet at hebba, naast Zar ik at maar doen ? maat na een voorzetsel komen reeds uitsluitend mij en ma voor: dit is fa mij; mach ja na ma kijka (nu mag je na mij kijken), fa gebruikt hij van 't begin af aan zoowel voor subject als object en ook na praeposities; 't zou trouwens heel moeilijk zijn hier

151

Sluiten