Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tweede persoon heeft tot nu toe zoowel in den

26. De tweedeper- tegenwoorciigen als verleden tijd ook nog geen -t: Je soon zonder -t. zefc} acnxom moetfo. Dit zal waarschijnlijk wel hieraan liggen, dat zoo goed als al de door Keesje gebruikte 2de persoonsvormen : in de zoogenaamde omgekeerde woordorde voorkomen, en ook wij in dit geval nooit den t-uitgang gebruiken: nou jok ja. ga ja met de tem mee vada ? moeda ga jij ook eta? ansa var ja (anders val je). Vada mag ja na ma kaka, moeda zajja 't nie meer doen, Zar ja nou zoet zijn ? Wjjj is ruika? da wis ja niet; da dach ja niet, dan maak ja ma haar zoo in de waar (war).

De meervoudsvormen krijg en soms reeds een stomme -e

27. De eerstee ^ uitgang. Toevallig komen bij Keesje van den eersten m^ervoud^80011 persoon alleen voorbeelden voor van de aUerfrequent-

ste werkwoorden zonder tweede sübe: als gaan en zijn. Maar van den derden persoon zijn er reeds andere gevallen: Die geva centjes in de muziek. Deura moeta efa toe. Alles te zamen is Keesje's vervoeging dus op drie-jarigen leeftijd nog niet schitterend te noemen. En dat is toch eigenlijk ook geen wonder.

Maak eens op: de lijst van de gewone vormen en de nadruksOEFENING. vormen aiie, persoonlijke en bezittelijke voornmw. Maak bij de pers. vrntnw. onderscheid tusschen de onderwerps- en voorwerpsvormen, en verder bij den 3den pers. ook nog tusschen de geslachten. Vervoeg eens de werkwoorden moeten, willen, geven, blazen en gaan in den tegenwoordig en en verleden tijd, met 1° het persoonlijk voornaamw. er voor en 2° het pers. naamwoord er achter.

Want ook met de voornaamwoorden zelf vergissen zich

28. De omkeering ^ meeste kleuters tijdens en na deze periode nog herder voornaam- hjk altham in m0eÜijker gevallen. En die zijn voor

woorden in het , ' *i . .. . «..« j _ .,

qesprek ons ouderen o zoo leerzaam, omdat wij eigenlijk daaruit

pas ten volle begrijpen: waar eigenlijk het gesprek, de dagelijksche omgang, de geestelijke samenleving, de innigste verhouding van mensch tot mensch op neerkomt. Het moeilijkste geval voor kinderen schijnt nu te zijn: als een ander juist te voren ongeveer denzelfden zin, dien zij willen zeggen, met natuurhjk het tegengestelde voornaamwoord heeft gebruikt. Ze vergeten dan meestal de noodzakelijke omzetting. „Heb ik te hard geloopen?" vroeg vader. Te hard heb ik geloopen, antwoordt Greta, met de bedoeling: li hebt te hard geloopen. Waar is je bord? vraagt moeder. Hier isja bord, zegt Hein, maar „hier is m'n bord" bedoelt-ie. Wie z'n pet is dat? zegt vader. Ouder broertje roept: mijn pet. En hij heeft gelijk. Ook jonge broer voelt zich geroepen dit te bevestigen, en hij roept, met z'n vingertje den oudere aanwijzend: mijn pet! maar zijn bedoeling voor ons vertaald, moet natuurhjk luiden: ja, zijn pet /Wat zien

155

Sluiten