Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij bier dus voor merkwaardigs in het uitblijven van die omkeering? 29 Het toe- moem)kheid der voornaamwoorden is nog veel

spreken. grooter dan we aanvankelijk begrepen, maar ook veel

dieper dan we vermoedden. Want het eerste zinnetje van nr. 13 hierboven moge als konstateering-van-buiten-af waar en juist zijn, den dieps ten innerhjken grond hebben wij daarmee nog niet geraakt. I k beteekent voor mij en voor ieder van ons, en dus ook voor Keesje, telkens de aanduiding van ons zelf alleen, dus uit ieders hart gesproken: van mij en van mij alleen. En jij beteekent den eersten buitenstaander naast mij. En dit is dan ook de eenige beteekenis, waarin Keesje nu die twee woorden zelf gebruikt. Dat is dus Keesjes spreken zelf, dat in dit geval natuurhjk altijd een roe-spreken is, een spreken namelijk tot een ander. 30. Het verstaan. Wat gebeurt er nu echter, als een ander ze tot hem gebruikt, en en hij ze wil verstaan ? Wat gebeurt er meer in 't bijzonder, als een ander ik gebruikt voor zichzelf? En wat gebeurt er als de ander juist voor Keesje jij gebruikt? DAN TREEDT KEESJE ALS HET WARE UIT ZICHZELVEN. EN KOMT ZICH INVOELEN EN INLEVEN, ECHT SAMENLEVEN BIJ DIEN ANDER. En zoo ziel aan ziel met dien ander, verstaat hij het nu ook, als die ander het woord ik gebruikt voor dien ander zelf. En zoover gaat die invoeling, dat hij ingeleefd in dien ander, z'n eigen persoonlijkheid als het ware buiten zich plaatst, en leert aanduiden met jij, d. w. z. den eersten buitenstaander. En dat is dus Keesjes verstaan.

31 De ontledina "~"n wat "* nu hct fl^P16^ Dat k de wederkeerige ritvan een gesprek. mische wisseling van toespreken en verstaan. Keesje * spreekt eerst, en is zich zelf, en behandelt moeder als tegenover hem staande. Vlak daarop spreekt moeder, en nu voelt Keesje zich een met moeder, en beschouwt alles van haar standpunt en ook zich zelf. Vlak daarop spreekt Keesje weer, hij heeft zich uit moeders gedachtewereld teruggetrokken en is op z'n eigen standpunt teruggekeerd, méér moeder is hem gevolgd, zij is nu op haar beurt uit haar zelve getreden, om in Keesjes gedachten en gevoelens te komen meeleven, zij beschouwt nu alles van Keesjes standpunt. Nu neemt zij zelf weer het woord, en meteen is zij in haar eigen ziel teruggekeerd, en nu is ook Keesje weer daar bij haar, in haar, met haar een. En zoo gaat het door. Het gesprek is dus een samenleven, een samen voelen en samendenken, nu eens samen in de ziel van den eene, dan weer samen inde ziel van den andere; een gelijktijdig geven van den eene en krijgen van den ander, dat telkens weer in het geven van den ander en het krijgen van den eerste overslaat, maar op een voortdur enden ondergrond van samen-hebben, samen-deel en berust! een ritme van ziel in ziel, waarin telkens een van beiden een oogenblik in den andere onderduikt; een rijzen en dalen van twee zielen samen in een schommel-

156

Sluiten