Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuitje, waarbij elk om beurten de stuwkracht geeft! dat is het zoo eenvoudig en toch zoo subliem en intiem gebeuren der menschelijke verstandhouding in het dagelijksch gesprek.

De kleuters moeten dus leeren luisteren naar een ander! 32. Het gesprek j>wiz> 2ij moeten leeren voor een oogenblik buiten zich Ües en Pzelfh«- zelve te treden, en hun EIGEN ZIEL als het ware te vinding " VERLIEZEN om mee te gaan leven, in te gaan voelen,

in het zieleleven van een ander. Dat is de eerste trap door Keesje in z'n derde levensjaar met veel moeite en echte zelfverloochening beklommen. Maar verstaan ze eenmaal die kunst, dan moeten ze zich uit dat zieleleven van dien ander weer met gemak leeren losmaken, en met dien ander in eigen ziel terugkeeren naar het eigen standpunt, dat is de tweede trap: ze moeten ZICH ZELF KUNNEN TERUGVINDEN. En daaraan nu beantwoordt de uiterlijke omzetting der voornaamwoorden in de gevallen die we daar zoo juist hebben besproken. Eer kinderen nu hun ingeboren ikzelvigheid en hun onbeholpen traagheid van geest en gevoel hebben afgelegd, en deze omzetting trouw en juist leeren toepassen, zijn ze gewoonlijk reeds 3' /2 of 4 jaar oud geworden. En dan pas kunnen we zeggen, dat ze de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden ten volle hebben leeren gebruiken en verstaan.

Die geestesrapheid, die plooibaarheid van 't egoïstisch voedt o' tot1 wiel wu-e-Jc' die buigzaamheid van het ik- en jij-gevoel: levendheidenbe- kunnen ze natuurhjk alleen door veel en gestage oefening schaving. leeren. Ze moeten reeds veel gesprekken hebben gevoerd,

ze moeten reeds dikwijls zich zelf hebben verloochend, uit zich zelve zijn getreden, en daarna weer het standpunt van den ander hebben prijsgegeven en met hem bij zich zelve zijn teruggekeerd; ze moeten dat met-een-ander uit- en in-zrch zelf keeren o zoo dikwijls hebben beleefd, om inderdaad een „beleefd" gesprek te voeren in den letterlijken en figuurlijken zin des woords. Want vanwaar Keesjes kleine koningstrots, Keesjes egoïsme, Keesjes inbeelding van imperiale onaantastbaarheid, kortom klein-Keesjes grootheidswaanzin? Vanwaar Keesjes stuitend gemis aan „savoir vivre". Keesjes verregaande „onbeleefdheid", juist in de eerste helft van zijn derde levensjaar tegen vader en moeder ? Keesjes „onbeleefdheid" berust op het reeds verworven ik- en ik-alleen bewustzijn, maar op zijn weinig of niets beleefd hebben in en met anderen. En de beste en eenige natuurschool der ware „maatschappelijke" beleefdheid — die hierin bestaat, dat men niet altijd uitsluitend aan zich zeiven denkt, maar voortdurend mede rekening houdt met de wenschen en behoeften van anderen — is dus de heerhjke gymnastiek van rede, wil en gevoel te zamen in het dagelijksch gesprek. Het gesprek is het kostbaarste opvoedingsmiddel tot hooge innerlijke beschaving. Door het gesprek

157

Sluiten