Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lust om mét hen te keuvelen en naar hen te luisteren. Over het algemeen staat de vrouw hierin boven den man. Maar ook bij je zelf kun je heel duidelijk het verschil tusschen een koel en een gezellig gesprek opmerken. Als je iemand voor het eerst ontmoet, pas kennis met hem gemaakt hebt, kun je je natuurlijk nog niet in hem inleven, evenmin als hij in jou. Je hebt nog niets gemeen met zoo iemand, en daarom ben je dan vanzelf niet „gemeenzaam". Gewoonlijk begin je dan maar over het slechte of het goeie weer. Daar zijn we allemaal aan onderworpen, dat hebben we met eenieder gemeen. En de kunst is dan ook slechts, om van dit eerste aanrakingspunt netjes af te komen, en over te gaan naar een volgend, en zoo doorpratende al langer hoe meer gemeenschappelijken zielegrond te ontdekken, waar je elkaar bezoeken en ontvangen kunt. In den trein kun je* hier voortdurend aardige staaltjes van hooren, en het is zeer leerzaam daarop te letten. Je moet leeren „gezellig" te zijn.

OEFENING ^aak ecns een °Pstel« waarin een gezellige en een stugge jongen met elkaar praten; of beschrijf een kennismaking in den trem, die zóó verloopt, dat de twee nieuwe kennissen als vrienden scheiden. KLEIN VLEISTERTJE :-: :-: :-: :-: :-: Anna Sutorius. Moeke, zeg, wat is 't gezellig. Ik weet óók wel een verhaaltje

Als wij bij elkander zijn. Maar het is een beetje klein.

Gaan wij samen plaatjes kijken, 't Is: „dat wij de beste vrindjes.

Of vertelt n. Moeke-mijn ? Van de heele wereld zijn!"

KLEIN ONDEUG. :-: (in t Afrikaansch) :-: door Jan CeUiers. Klein ondeug, moeders sorg en skat. Al trippe-trap die mure langs haar lus, haar las, haar vreug; kan jij sij stappies hoor;

hij vroetel hier, hij snuffel daar, hij's weg en stil nou. so's 'n muis,

hij pluk die heel huis deurmekaar, maar glo mij nou dit's glad nie pluis,

keer-voor daar1)! — liewe deug! kom, hier is al sij spoor;

Te laat, — daar gaat die koppie al, daar hê j' dit al, die muur-papier

en stukkend op die vloer; in repe afgetrek,

knor jij hem — jij krij knor terug, geskeur in stukkies, klem en kort,

of nijdig smijt hij 'm op sij rug, die ink-pot daarop uitgestort,

en trappel fluks tamboer. en hij, een zwarte vlek J

Hij's kort-kort bij die water-bak. Daar val meteens die solder-leer,

al jaag jij 'm twintig-maal; ja, so's 'n donder-slag!

jou Sondag-stewels 2) krij hul bad, ons loop te hulp met grootste haast,

dan is 't weer die arme kat daar sit die kleine vent daar-naas —

wat jij daar uit moet haal. en skater so's hij lach!

*) Loop daar vóór langs!

*) Je Zondagsche laarzen krijgen hun bad.

159