Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENDE HOOFDSTUK. DE ONTDEKKING VAN DEN TIJD.

, „ Wc zagen reeds op blz. 78, dat Keesie in den loop

1. De wiizen van . . j i • j . \i a

het werkwoord. van z n tweede levensjaar de imperatieven van den indicatief bègon te onderscheiden. Met den infinitief bedoelde hij een vage wensch of verwachting, en met den imperatief een bevel, maar met den indicatief een konstateering, of een kennisneming.

2 Modale halo- T^ts&\t kent dus reeds de wijzen of modi van het werkwerkwoorden woord. Deze verdeeling in drieën voorziet echter, al

in het begin van het derde levensjaar, volstrekt niet meer in de drukke behoeften. Op de eerste plaats ontwikkelt de imperatief drie verschillende beteekenissen: de streng-kommandeerende: b.v. tot een hondje: kom ier, de vriendelijk uitnoodigende met „eens": b.v. tot een vogeltje: kom is ier voota en de zanikend-aandringende met „nou": cha nou niet na bova, doet dat nou niet, cha daar nou niet staan, nee, loop nou nie weg. Ten tweede komen nu spoedig de hulpwerkwoorden mogen, hoeven, willen.laten en moeten in gebruik, die alle vier dienen om een nieuwe fijnere schakeering van de vroegere infinitief beteekenis aan te geven, en daarom natuurhjk tot een onderschikkende verbinding met den infinitief worden vereenigd. Soms echter komen ze ook, in dezelfde functie, voor een overgangswoordje te staan: moena mag ak komma? Mach ak koesja mek dinka. Vada mag moena kopja geva. Deka oef je niet.keta oef ja wer (de deken hoefje niet mee te nemen, maar de ketel wel). Soetja wiljasja pakka, foetja wir bijta. Laat ik at nou maar doen. Ik motkos (korst) era. Deura moeta efa toe, enz. enz. Ik wou... ik wir... ik wiw... vaja moet... moena moet... machniet... machak... zijn hem als het ware nooit van de lippen; en als we een volledige statistiek konden opmaken: van alle zinnetjes door Keesje in z'n derde levensjaar gesproken, dan zouden zulke modale zegswijzen verreweg in de meerderheid blijken. OEFENING in ^e groote-menschentaal komen deze modale hulpwerkwoorden nog heel dikwijls, in een onderschikkende verbinding met slechts met infinitieven, maar ook met overgangswoordjes voor; Dat moet weg. Dat hoeft niet meer. Je mag uit Hij wil erin. De wou naar buiten. Ze moeten voor uit. Jullie moogt binnen, maar zij niet Vul zoo eens in: De deur moet... of... Ik moet er... Hij wil er... Nu zal het er... of er... Ik... er binnen. We zullen een boottochtje maken, wie... er mee? Ik... er met uit Waar... je naar toe? Eerst slaat U rechtsaf, en dan... U bij de tweede straat linksom. Ik z... eruit Hij w... er van af. Hij m... overal door. Hij m... nergens heen.

3 Twee wijzen en ^aar'a' beseft bij hier zelf nog niets van, met den impedrie woordjesvoor raöer 01 vooral met den infinitief heeft Keesje zoo toch de toekomst. °°k ^ een werkwoords-vorm voor de toekomst.Want

wat hij op een bepaald oogenblik beveelt of wenscht,

167

Sluiten