Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ervan. Dokka heeft hij van moeder nagezegd, juist als hij pas een paar weken daarna dinka (drinken) zal nazeggen. De wijzen van het werkwoord beteekenen nog juist hetzelfde als vroeger, en met de bijwoordjes daak, daka, tats en mocha, evenals het hulpwerkwoord gaat, bedoelt hij nog niets anders dan jeukende hoop en vrees. Toch is hij nu op den goeden weg, om tot een voorstelling van den tijd te komen.

Wat ons echter vooral in het bovenstaande op moet komsT'een voor' va^m« ^ de voorsprong die de toekomstvormen hebben sDrona heeft oo °P ^ verfeden-tijdsvormen. En dit is nog sterker, als het verleden. we op de bijwoorden letten.Voor de toekomst heeft hij

op amper 2-jarigen leeftijd reeds de drie pas genoemde woordjes; maar het zal nog tien volle maanden duren, eer hij z'n eerste tijdsbij woord voor het verleden gaat gebruiken: gister, wat dan natuurlijk, niet precies gisteren, maar eiken verleden tijd aanwijst. Maar een kind is «— dat weten wij toch allemaal allang — een oogenbliksmenschje, dat wil zeggen: Keesje leeft, ziet en voelt bij oogenblikjes, en telkens als zoo'n oogenblik voorbij is, kan het hem niets meer schelen, daar is nu eenmaal niets meer aan te doen, van het verledene is niets meer te hopen of te vreezen, alleen terugblikkend te konstateeren; en daar is zijn denkhoofdje nog niet rijp voor. Het kind voelt zich op dezen leeftijd nog volstrekt niet geroepen tot kroniekschrijven en geschiedeniskennis; van de wijze les: „in *t verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal", begrijpt het nog geen zier; het is een wilsmenschje, een dwingerig daadmenschje met verlangen tj es en wenschjes, met vrees en hoop. En juist daaruit wordt de voorsprong van toekomende tijdsvormen op verleden tijd-dito's volkomen en Afdoende verklaard. Maar wat de toekomst nu eigenlijk is, weet Keesje nog evenmin als wat het verleden is; trouwens, beide zal hij tegelijkertijd moeten ontdekken, daar ze alle twee pas ten volle begrepen kunnen worden: door ze tegenover elkander te stellen en te vergelijken. OEFENING ^aa^ deze week eens een opstel over eenige herinneringen uit je eigen-verleden; en de volgende week over je verwachtingen voor de toekomst Schrijf dan onder het laatste opstel: welk van de twee je het gemakkelijkst en het leukst gevonden hebt

8 Het t k ^m ^ alles goed te begrijpen, moeten wij eerst even nen de eerste sta teruggaan, naar de eerste voorbeeldjes dat Keesje iets naar een verleden mct bewustheid terugkende. Men herinnert zich, dat tijds-voorstelling, bij in z'n eerste levensjaar, toen vader eenige maanden van huis geweest was, dezen in het begin heelemaal niet terugkende. En uit proeven met andere kinderen is gebleken, dat in dien tijd eenige dagen van afwezigheid reeds genoeg zijn om alle bekendheid uit te wisschen. UIT HET OOG, UIT HET HART, zegt het spreekwoord. En dit gaat zeker voor niemand zoo volkomen op, als voor kleine

169

Sluiten