Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stil, die tijdschakels rusten niet, ze glijden alle drie voortdurend verder, telkens rijst een nieuwe schakel uit de toekomst in het verleden terug. De heele reeks van Keesjes levenservaringen glijdt kettingsgewijze aan hem voorbij: wat eerst toekomst was, wordt heden, en het heden van nu: zal weldra weer verleden zijn. Treffend dan ook is het zinnebeeld der oude Noormannen, die zich den tijd en het noodlot voorstelden als drie zusters, de Nornen, waarvan ons bijna alleen de namen en in 't vage de bedoeling bekend is. Verschillende middeleeuwsche en nieuwere dichters echter hebben dit beeld verder uitgewerkt en aangevuld. Naar dier schildering kunnen wij ons de drie Nornen het best voorstellen: ruggelings tegen den stam van Yggdrasil gezeten, den nooit verdorrenden wereldesch, aan de bron der tijden. Skoeld of Toekomende heet de jongste, die zit ter linkerzijde, met een golfval van lange goudblonde lokken. Maar haar gelaat en voorovergebogen gestalte gaan schuil in blanken sluier van mysterie. Vérdandi of Geschiedende is de naam der tweede, in het midden gezeten, het open oog en gelaat naar de wereld toe, met zwarte haren en blozende wangen, in een kleurig gewaad van morgenrood en plantengroen. Oerd of verledene in 't paarse kleed, zit aan haar rechterhand. De menschen zien haar alleen van terzijde, zij is oud, en staart stil en gelaten in haar open handen; haar neus en kinhoek zijn scherp gespitst en glimmend wuiven haar zilvergrijze haren. Het is stil daar in de schaduw van den wereldesch. Slechts ééne stem weerklinkt er. Die van Vérdandi, want Skoeld en Oerd zijn hooreloos en sprakeloos geboren. De jonge geheimzinnige Skoeld zit in haar witte blankheid gebogen over 't water, en schijnt daar het lot der toekomst te schouwen. Onder haar sluier snijdt zij in runen, wat zij schouwde in het water, en laat dan die runen uit haar rechterpalm Vérdandi in de linkervingeren glijden. Vérdandi, de levende kleurige, leest dan zingend uit die runen de geschiedende werkelijkheid, ja haar zang is de voltrekking zelf der eeuwige raadsbesluiten. En terwijl zij zingt, glijden ongestoord telkens nieuwe runen uit haar linkerhand in de rechterhand, waar oude Oerd ze trouw weer opvangt en ze glijden laat in haar open handen om ze nog eens in stilte na te lezen, te overdenken, en dan... ze te laten dalen rechts langs de plooien van haar donkerpaarse rouwkleed af: in de wateren der tijden... Deze grandioze waarheid heeft nu ook Keesje, natuurhjk op veel kinderlijker wijze, hiermee ontdekt

14 De schatkamer ^ zoodoende spreekt het vanzelf, dat terwijl het van heTverledem tegenwoordig oogenblik altijd even klein blijft, en de toekomst voorloopig even vaag beperkt binnen de ruimte van zijn hoop en vrees; het sprookje van het verleden of de bewuste herinnering bij Keesje altijd grooter en breed er en rijker wordt Want alles wat hij eerst in de toekomst aan ziet glijden, en daarna in het tegen-

173

Sluiten