Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 Z'n beteekenis Waarschijnlijk is het bij het doorzien van dit lijstje reeds menigeen opgevallen, dat zooveel van deze voorbeelden niet Keesjes eigen verleden betreffen, maar deels uit een liedje of een sprookje of een verhaaltje zijn overgenomen, zoo: Die chaf'm'n finka kap om 't oor. Poppa wou a chaan, koe wou choppa. Piep zei da muis in 't voorhuis. En hiermee worden we vanzelf herinnerd aan den belangrijken eersten stap, dien Keesje gedaan heeft op den weg naar het tijdsbegrip. We zagen toch in nr. 7, hoe die eerste teruggeken.de personen en dingen hem aanvankelijk zoo vaag voor den geest kwamen, als had hij het gedroomd of hooren vertellen in een sprookje. Want in een sprookje in een droom is alles veel vager, veel armer aan détails, veel onzekerder, dan in de waargenomen werkelijkheid. Welnu, Keesjes terugkenningen en herinneringen zijn ook nu nog allemaal vaag en onzeker, en het staat te bezien, welk van de twee beteekenis-elementen: het vage en onzekere, of het in tijd verledene, thans bij Keesje de bovenhand heeft. Dat het vage en onzekere in elk geval nog een groote rol speelt, bewijzen de voorbeelden Keesjs was at pecha, wat natuurhjk louter verzonnen kinderspel was, en da poes riep doo da sneeuw, waarbij moeder opteekende, dat er niets van aan was: louter fantazie. Ten slotte berusten de voorbeeldjes: 'k wou schijf», nou wou ik mewk op dezelfde vagere, onzekere grondbeteekenis. Keesje zegt in vroegere gevallen, en ook nog later in dwingerige buien, heel kras ik wiw dit en ik wiw dat. Op dit oogenblik was bij echter bescheidener gestemd, hij begreep al, dat dit nu moeilijk zou gaan, en hij z'n zinnetje niet kon krijgen; en daarom drukt hij z'n willetje ook slechts onzeker en bescheiden uit. Ook dit onderscheid heeft hij natuurlijk van moeder gehoord, maar aanstonds fijn begrepen en kwistig nagevolgd.

OEFENING °k 'n °*e 9rootc mensch entaal hebben de verleden-tijdsvormen nog vaak deze vage, onzekere of bescheiden beteekenis. Zoo 1°: in loutere veronderstellingen: Ik deed het met (als ik in jouw plaats was). Ik het ze loopen. Verbeeld je eens dat zoo 'n Hannes naar de Universiteit moest. Die kwam er immers van z'n leven niet. Ik kan het uithouden, maar Jan (ak hem zoo iets eens overkwam) schreeuwde het aanstonds uit van de pijn. 2°; In onwerkelijke zinnen, waarvan men zich dus bewust is, dat juist het omgekeerde waar is. Bleef hij maar weg! Ging je maar met hem mee! Had ik het maar terug van avond. Was het maar uit! Waren we hier maar uit. Had je me maar. Hielden jullie nou toch eens op. Hoe gaarne zag ik hem in ons midden. 3°: In bescheiden vragen, voorstellen en bevelen: Vader, ik wilde u eens wat vragen. Moeder ik zou zoo graag naar de ijsbaan gaan. Ik wilde jullie allemaal wel eens hier hebben. Dat Seschje kon jij wel even voor me halen. Dat moest jij nu eens voor me doen. „Dat moet je voor me doen" zou onbescheiden en hard klinken. Zoek eens in Dé Japansche steen-

180

Sluiten