Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stok» voor den dag, terwijl vroeger min of meer lukraak reeds boke, meeadoma, innastoka waren voorgegaan. Dit wordt echter zeer goed' begrijpelijk, als we die 14 voorbeelden even wat naderbij bekijken. Het zijn: geven, eten, vergeten, vreten, meten, treden, genezen, lezen van de 7«fe, en bevelen, stelen, spreken, breken, steken, nemen van de 9de Klas. Nu zijn de eerste en de laatste drie van dit veertiental in Keesje's omgeving — en trouwens overal wel — zóó druk in gebruik, dat het de 3de Klas, b.v. blijkens spuit voor gespoten tegen de 7de en de 9de, elk met haar werkzaam drietal moet afleggen, hoewel de 3de Klas tot de enkelvoudige Ablautreeksen behoort, en niet minder dan 15 regelmatige voorbeelden omvat, te weten: druipen, fluiten, kluiven, kruipen, pluizen, ruiken, schuiven, sluipen, sluiten, snuiven, snuiten, spuiten, stuiven, zuigen en zuipen, die echter allemaal slechts bij uitzondering voorkomen. Dat de 8«te Klas, met haar poovere drie voorbeeldjes: bidden, liggen en zitten, (waarvan de 2 laatste bovendien nog dikwijls in het deelwoord den infinitiefvorm aannemen). Keesje nog onbekend is. blijkt uit sit voor gezeten. Daarentegen is de 4de Klas met haar veelvuldig voorkomende 10 voorbeelden reeds zoo sterk ingeoefend, dat trekken en schenken de aanleiding worden tot de ontsporing van afgaplokka voor afgeplukt en meegabcongen van brengen. En dat hij in een alleenstaande uitzondering der 12de Klas aanvankelijk tusschen avalt en aviek twijfelt, doet z'n taalervaring althans in zoover eer aan, dat de tweede vorm natuurhjk op een valsche analogie naar het imperfectum viel berust, daar toch 70% van alle sterfte werkwoorden (Klas 1, 2, 3, 4. 5, 10) in de beide verleden tijden denzelfden klinker vertoonen, waarop trouwens ook het bovenvermelde aangakwamd wijst.

42 De onreqel- Y**1 f*6 uitzonderingen en onregelmatige werkwoorden, matige werk- kent m' ^etdf reeds 93«^es, gaworca, gagaan. adaan; woorden komen en 9^°cha, dat bij door de klinkerwisseling verleid, met jnist het meest het achtervoegsel der sterke werkwoorden heeft voorvoor, zien. Met de weinig voorkomende imperfecta is hij natuurhjk nog niet zoo ver gevorderd. Wis en dach heeft Keesje waarschijnhjk nog maar half bewust met de andere vormen dier werkwoorden in verband gebracht, en chiep voor sliep (blijkens de invoeging van het zinlooze is) evenmin. Trouwens later zet hij er in den verleden tijd was bij: 't handje was chiep (m'n handje sliep): en gaat hij er zelfs een nieuwe onbepaalde wijs van maken: ik was bang dat 't handje ging c/n'epa. Geen wonder overigens, dat hij twee zoo ver uiteenloopende beteekenissen niet aanstonds weet samen te koppelen. Maar was naast is, wou naast wil, wir of wiw en zei naast zegt behooren reeds vast tot zn verleden-tijdsarsenaal. En keek, chrok, chaf en riep zullen weldra de modellen worden voor een heele reeks voorbeelden der lste, 5de en

187

Sluiten