Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat nu een heel ander leven tegemoet. Ik denk dat je wel eens naar tante. Hermione terug zult verlangen, denk je ook niet?" vroeg tante. De harde lach scheen om den grooten mond gereed te liggen. John Winterfleld Mac Kean keek op. Hij maakte zijn hand uit die van tante Hermione los. Als hij de: waarheid zei, zou tante Hermione zeker boos worden. Maar toen dacht hij aan j mama, die boos zou worden, als hij niet de waarheid zeide. En heden was er zon en het was helder weer, zoodat mama hem heel zeker zien kon. John draaide zich snel om en keek het raam uit vóór hij antwoordde: „Neen". Op eens begonnen de licht-blauwe oogen in bed te steken. „Ga heen", zeide de groote roode mond. En toen trok tante Hermione de kanten over het nieuwe, kleine jongentje heen, zoodat John hem niet zien kon en geen goedendag kon zeggen. „Wat ben je een stoute jongen, om je lieve tante zoon antwoord te geven", zeide de dame die op het nieuwe jongetje paste, terwijl ze John de kamer uitliet. Zijn antwoord was dus alweer verkeerd geweest En tante Hermione was de eenige met die boos was geweest Een uur later vloog de trem met Wilson en John Winterfleld Mac Kean door bladerbosschen en over groene vlakten naar de zee, waar de groote stad lag met de boot, die John naar mama's land zou voeren. Heelemaal naar de stad, waar mama speelde toen zij klein was, en waar John's tantes nog woonden in het witte huis, waarvan er altijd een plaat boven Mama's bed gehangen had. Daarna had Wilson hem aan boord gebracht en met den kapitein gesproken en geld voor John betaald; en de kapitein bad John amandelen en rozijnen toegestopt en gezegd, dat hij het heel prettig vond om gezelschap te hebben op de terugreis. Want de stoomboot was een vrachtboot, die af en toe maar eens passagiers meenam. Daarop verdween Wilson ook. En John had heel goed gezien, dat Wilson op den steiger stond te huilen toen de boot zich in beweging zette. En John had met zijn muts gezwaaid en Wilson toegeroepen: „Als ik groot ben, kom ik weer terug". Drie dagen lang was er niets anders dan blauw water geweest. De stoomboot was kalm en geregeld voort gegaan. En John had zijn eigen hoekje gehad op de commandobrug. Er was een dierbare vriendschap gesloten tusschen den kleinen man in de plaid van den kapitein en den grijzen ulster 1) en John had gezegd: „Ik reis weer met u terug als ik groot ben". Daarop had de kapitein geantwoord: „Als je voor dien tijd terug wilt bedenk dan dat we lederen eersten Vrijdag van de maand in Noorwegen komen". En toen lag de boot stil bij den steiger. En schitterden de lichten in manui's stad. Naar de vert. van D. Logeman-van der Willigen. KONING EN KEIZER. :-: uit Benjamins' vertellingen door W. L. Penning. „Wel de koning — weet u nog ? —

Was in de stad geweest, en grootmoê... was verdwenen! □ Ik zocht haar, overal. Waar was ze toch? Q

— Haar riep een machtiger dan eenig Koning henen, —

Verklaarde Dominee, en dat bracht me op een plan: 1) Tusschen John en den kapitein.

194

Sluiten