Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere stof kende dan het witte monnikshabijt, had hij voor den kleine, ook maar een klein wollen habijtje gemaakt, met een wit kapje op z'n rug, dat het monnikje omhoog zette en naar achteren sloeg, net als dat de andere monniken te doen plachten. Dikwijls dwaalde het kleine monnikje de heele abdij door, maar vond niemand van z'n leeftijd, met wien hij spelen kon. Het liefst was hij nog in den buitenhof. Daar groeiden zooveel mooie bloemen, en In 't midden stond een groot wit-marmeren Maria-beeld, waar bij dikwijls naar stond te kijken; en op het laatst begon hij duidelijk te zien, dat het mooie vrouwenbeeld een klein kindje in haar armen had, ongeveer net zoo groot als hij. En het beeld lachte tegen dat kindje heel lief; en het monnikje wilde wel, dat zij ook eens heel hef tegen hem zou lachen. Hoort nu hoe goedertieren Maria was! Maria, Onze Lieve Vrouw lachte tegen hem, boog zich neer, en zette haar kind op den grond, en het monnikje mocht met Jezus spelen. En Maria gaf hem den appel van Jezus, en ze kaatsebalden samen, dat het een lust was, en Jezus was heel hef voor het monnikje. En het monnikje was ook heel hef voor Jezus. Dit duurde zoo verscheidene dagen, maar gaandeweg werd het monnikje minder droomerig en zacht. Het gooide niet altijd den appel meer naar Jezus, als die er om vroeg, en wilde hem ook wel eens alleen hebben. En hij werd ook een beetje jaloersch, dat Maria hém nooit pp haar armen nam. Eens nu zocht Vader Abt naar het monnikje, want het was op den noentijd niet in den refter komen eten met de andere broeders. Hij was bezorgd, dat de kleine uit het klooster zou zijn geloopen, en zocht hem overal. Ten laatste ging hij den hof door, en zag daar het monnikje met Jezus' steenen appel spelen, maar overigens zag hij niets aan het beeld. Achter de boomen kuchte hij, om gerucht te maken, en zoo het monnikje te roepen; en toen de kleuter dat hoorde werd hij bang, en zag den Vader Abt achter de boomen staan. En hij liep hard weg naar het andere eind van den hof, met Jezus' appel in z'n hand. Toen Vader Abt dat zag, ging hij hem na, beknorde hem, en beval hem aan Jezus zijn appel terug te geven. En Vader Abt ging weer terug naar zijn cel. Toen liep het monnikje naar het beeld terug en zei: „Jezus, daar is je appeltje, maar je bent een nare klikspaan, hoor!" Maar Onze Lieve Vrouw verontschuldigde Jezus, en verzoende ze weer met elkaar. Den volgenden dag ging het monnikje naar den broeder tuinman, want nu wilde hij er toch het zijne van hebben en vroeg: „Broeder, wie is die schoone vrouw toch, die in onzen hof staat?" En stil lachend zei de goede broeder: „Dat is onze hofbewaarster, die zorgt dat mijn bloemen goed groeien". — „Maar broeder, moet zij daar maar altijd staan? Hoeft zij dan niet te slapen? En krijgt zij niet te eten? Zij zal het toch wel moei worden, zoo zonder eten voor haar en haar kindje". De goede broeder legde zijn hand op 't krullehoofdje en zei: „Als je wil, moog je haar wel eens wat brengen van het noenmaal of van je vesperbrood".

Sedert dien bewaarde het monnikje, trouw iederen dag, iets van zijn maaltijd voor de witte vrouwe: nu eens een snee versche mik, en dan weer een schoteltje

196

Sluiten