Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of ge moet ook onzen Vader Abt ten eten vragen. Maar Lieve Vrouw, dat uioet ge niet doen, want gij zljt een arme vrouw, en onze Vader Abt is een groote zware man, en hij kan veel eten, veel meer dan ik; waar zoudt gij dat vandaan halen ? Ge zult zeker niet genoeg hebben". Maar met zoete stem zei Maria: „Kind, vrees niet, zeg aan Vader Abt, dat ik ook hem uitnoodig: morgen bij mij als gast te komen op mijn feest laat hij zich gereed houden. Ik zal je beiden wachten, morgenvroeg na de Priem".

Toen ging het monnikje gerustgesteld naar Vader Abt terug, en zeide hem, dat het goed was, en dat ook hij morgen bij de hofbewaarster en Jezus te gast mocht komen. Toen werd Vader Abt opeens zeer ernstig en toch heel bhj. Hij zette het bleeke monnikje op z'n knie, en zei heel innig: „Kind, maak je klaar, want morgen moet je sterven". Maar het monnikje antwoordde: Welnee Vader, dat heeft de Lieve Vrouw me niet gezegd, we zijn gevraagd op haar feest, en we zullen van alles genoeg hebben". Toen het Vader Abt het monnikje maar gaan slapen, want dat was, gelijk hij meende, voor zoo'n onschuldig kind, de beste voorbereiding pm de Eeuwige feestrust des hemels in te gaan. Hij zelf echter bleef dien heelen nacht in waken en gebed. Hij bracht de loopende zaken der Abdij in orde, en regelde alles reeds voor de keuze van zijn opvolger, 's Morgens na de Priem hield Vader Abt een sermoen tot de in het koor vergaderde monniken, en deelde hen mee, dat hij met het kleine monnikje zou opvaren naar het hooge hemelsche feest

Terwijl hij nog sprak, kwam het doodsbleeke monnikje aan de deur der kloostakerk vragen of Vader Abt meekwam. De monniken keken om, terwijl hun Vader Abt door hun midden ging. Bij de kerkdeur gekomen, nam bij het monnikje bi) de hand en ze gingen samen naar den buitenhof. En toen de monniken, na een kort schietgebied, zich haastten hun vader na te gaan, toen vonden ze voor het wit-marmeren beeld van Maria, dat bhj te lachen stond in 't morgenlicht: den Abt knielend neergezegen tegen het voetstuk; en het krullekopje van het Engelachtig-blanke monnikje lag daar tusschen de paarse asters van het bloemperk, als een wondergroote teere bloem in een krans van gouden krullen. Ze hadden beiden den geest gegeven, en waren opgevaren tot het eeuwig feest, waar ze genoodigd waren door Maria en Jezus. Nu helpt allen, en bidt tot Jezus en Maria, dat hij die dit schreef, eenmaal mag opgaan naar hetzelfde hemelfeest

Q □

FRANK ROZELAAR'S ZOONTJE. :-: :-: door L. van Deyssel. In uw aangezicht o zoete blanke dag, wilde ik zeggen, dat ik dat kleine knaapje toch zoo gaarne mag. — Van-ochtend was hij schoon. Ik zag zijn klem gezichtje blank als de maan, waarin als maneglans de groen-blauwe oogjes staan, stil zinken in een kleine mijmerij over dat vreemde verre lichtje van t opgaand zonnetje, achter de boomenrij. :-:

198

Sluiten