Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

golvende berg, langzaam en met sprongen uit de vlakte opstijgend naar den top en dan weer neerdalend in geleidelijke glooiing (Fig. 24).

4 De fijne sop het ^e 5 18 ^c plooibare medeklinker bij uitstek. We eind der silben. kunnen hem zoo zachtjes tusschen de tanden laten uit-

suizen, dat we bijna niet weten, wanneer het slinkend geluid neerduikt in stille vlakte. Deze klank is dus bij uitstek geschikt, om er silben, die al een anderen begin- of eindmedeklinker hebben, mee te openen of te sluiten. In de 20»* maand begon Keesje in plaats van ar, waarmee hij pats bedoelde, nu zelf ook pars te zeggen. Weldra volgden nu pets, muts, enz. De spons noemt hij nu poets, straks klinkt fars. Ook de kast noemt hij nu kats, en vast nu eens fasj, dan weer fats. Maar na lange klinkers heeft bij voor dit kunstje geen adem meer: plaats zal nog een heelen tijd paas blijven heeten.

5 TjiMMinif da- meer moe*te berokkent hem het silbenbegin: de Ungerzltageniak- "«Irte «djfltag uit de stille vlakte. En in het algemeen keiijker dan lang- kunnen wij zeggen, dat de nieuwe verbindingen altijd zame stijgingen, eerder in de daling opkomen dan in de stijging; juist

als we vroeger ook bij de enkelvoudige medeklinkers zagen, dat Keesje ze eer aan het slot der woorden goed nazei, dan aan het begin. Stoof klinkt dus nog toof, steenen: teena, stooten: toota, stoel: roem, staan: taan, stout: fouf, stok: tok, steken: teka en stuk: ruJt, totdat in de 22«« maand stoof en in de 25«*e stukja verschijnt. Maar het duurt nog weer drie maanden (tot 2, 4) eer er verdere voorbeelden bij komen: stompa, steka, enz. Wel blijven ook nu nog vergissingen voorkomen als taatja voor staartje en tof doek voor stofdoek; maar het inzetten der t met een heel zachte s is hij nu toch meester. Moeilijker gaat het reeds voor de p, want die wordt niet als de t en de s met de tong, maar door de lippen gevormd. De tong moet dus hier met de lippen heel precies leeren samenwerken. Spiegel klinkt dus voorloopig nog: piecha, spugen: puucha, speld: pejt, spelen: peeja. Eens schijnt in de 21 «te maand sptjka voor spijker te zijn voorgekomen, maar dit was zeker meer geluk dan wijsheid, want pas zes maanden daarna komt het 2de voorbeeld: spuit. En dan duurt het weer nog vier maanden eer peeja en pera voor spelen tot spera (2, 7) wordt.

6. De brcedere en ^aar ^et allermoeilijkst is de sch. En dat is zeer goed de fijnere s. verklaarbaar. Hier komen toch twee scherpe glijders achter elkaar, maar de bergstijging eischt dat de tweede al luider klinkt dan de eerste. Dat is voorloopig ons Keesje nog te bezwaarlijk; en beschuit klinkt suit of chuit. Schaap vroeger aap, nu chaap, schootje vroeger toofa nu choota, schort: chot, schoen: choen, schaar: chaa, schieten: chiete, en pas in de 32** maand verschijnt de eerste sch in schaap. De omgekeerde verbinding, ook bij ons zeer zeld-

200

Sluiten