Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

net als in meegabrengd, gapingd, gapongd voor gesprongen). Nu noteerde moeder in de eerste maand van het vierde jaar een duidelijk uitgesproken inkt, wat hem zoo'n moeite kostte, dat hij bij *t opnieuw zeggen in de vroegere voorbarigheid terugviel: elke silbe met denzelfden klank te willen openen, waar ze mee sluit; hij zei toen: ftnJfcf; na een maand of vier, vijf komen dan de andere voorbeelden: korst, borst, worst. enz.

19. Drie mede- Kort hikt ook hetzelfde kunstje in een stijgende klinkers in de 9roeP- Eerst zoo'n heel klein dreumesje van een s. dan silbestijging. een jochie van een p, ch of t, daarna een der flinke

jongens r of /, en dan komen de groote menschen der klinkers pas. Tot nu toe zei Keesje voor straks: rats oitraks, voor spleet: cheef, voor springen: pinga, voor schrijven: chijva en fijva, voor schrok: chok, voor schreit: cheit. Op het einde van zijn derde jaar begint hij van srijva en srera te praten, wat trouwens veel Hollanders heel hun leven doen. Maar in het vierde jaar, komen nu zachtjes aan eerst schrgva en schreia. en op de helft van het jaar straks, strang en springa in gebruik. OEFENING. Teeken eens 11331 de modellen in n°. 4 gegeven den juisten silbeberg van de volgende woorden: pats, stoof snaak, sneeuw, vast, schip, kmd. knip, licht hoofd, brood, snor. jurk, snorkt pauw. moot zwoel, melk! halt bloem, flesch, inkt korst schrok, sprong, straks. Denk maar dat al de bovenzones juist tusschen twee blauwe lijnen van je schrijfpapier inpassen; alleen voor de fijne s-zone moet je met je potlood een lijntje trekken midden tusschen twee lijnen in. zoodat deze maar de helft van de andere zones beslaat. Die goed teekenen kunnen, mogen er ook groepen met poppetjes van maken, die samen een zelfde stijging en daling vormen (zie n°. 18 en 191

20. Die moeilijke ^ zachte glijders zijn in dit tweede anderhalfjaar zoetjes zachte glijders. aan meer ta gebruik gekomen. In het begin van het derde

r jaar hebben echter dessen ch nog verre de overhand:

vader: fata naast vadaj, vlieg: peg. vleesch: fees, naast veesja, vork: fok vrouw: fan, vies: fies naast viezacheid. over: ofa. voetje: foetja. van: fan brave jongen: ba fa jonga. geven: efa, fefa. chef», gieter: cAier, gooien: cnooia, spugen: puucha. gordijn: chadijn, galoppeeren: chaapeera, gras: chas; groote: choota, ondeugend beest: ondeucha bees, geweertaweer, sareer, geen: cheen, vragen: faacha, vliegen: fiecha, spiegel: ptecfta, liggen: richa, sigaar: sichaa. gauw: chauw. kolenwagen: A:o/ewaacha. gekregen: keecha. zoet: soef. zolder: solda. zand: sat. lezenleessa. blazen: baasja. Bij vadaj, veesja, viezecheid voegen zich weldra echter ventja. eva. geva. naast solda komt zolda op voor zolder, verder zrrra, en dan weldra bazen voor blazen, en ten slotte komt naast reech • rega voor regen, en wordt in de tweede helft van het derdejaar het voorvoegsel van het verleden deelwoord, dat eerst a was geweest, aangevuld tot ga. t eerst in meegadome. (meegenomen) en nu weldra ook in alle

De Roman van een kleuter. 14.

209

Sluiten