Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betreft, met plat saamgeknepen lippen bits uitknijpt, ja uitsist, alsof je aldoor ttsss pss of ksss bedoelde.

DE GROOTE HOND EN DE KLÉINE KAT :-: door Alb. Verwey. Een groote hond en een kleine kat. En de kat, die zei: Je bent een hond, Die zaten op de kamermat; En ik een kat, met zonder grond;

En de hond, die zei: Zeg scheelt jou wat? Hou jij dus nou jouw grooten mond:

Scheer je weg! Scheer je weg I —

□ Scheer je weg: waf waf! — Scheer je weg: sis! sis! — □ Scheer je weg: die is raak. — Scheer je weg: die 's nie mis! Waf Waf! ~ Sis, Sis! — Woef, woef! — Mauw, mauw! — En een houw en een beet, en een blaf en een grouw: En de groote hond en de kleine kat, Die vlogen van de kamermat, En de keuken in: Zeg, scheelt jullie wat? ' En hij trapte op een teen. En zij beet in een been Van de meid, die riep: Ga je heen! o mijn been! Scheer je weg! —> En de groote hond en de kleine kat. Die zaten weer samen op de kamermat. En ze lachten en praatten: „Och hemeltje, wat Trapte ik op haar teen I" — „En beet ik in haar been!" — ,,'t Is gek, maar zoo'n mensch krijgt ook altijd wat!" — O WffiSJE - LIENTJE - EN MIENTJE. :-: :-: door Frltz Reuter. Het was een groote, breedgeschouderde, vier-en-veertigjarige mem, met donkerblond haar; en wat de arbeid van een mensch kan maken, dat had hij ervan gemaakt. „Arbeid" sprak zijn eerlijk gezicht; „arbeid" zeiden zijn trouwe handen, die nu stil in zijn schoot lagen en samengevouwen warén — als tot gebed. Ja tot gebed! Want in heel Pommerland had misschien niemand zoo veel reden om zich met zijn God te onderhouden, als deze man. Sedert gisteren was hij weduwnaar; zijn vrouw lag op haar laatste leger. —• Zijn vrouw! Tien jaar was Zij zijn verloofde geweest, tien jaar had hij gewerkt en gezwoegd. Vóór vier jaar had hij 't mogelijk geacht; hij had alles bijeengegaard wat hij bezat; een kennis van hem, die van z'n vader twee boerenhofsteden had geërfd, had er hem eene van verpacht <— hoog, heel hoog — hij wist dat zelf het best, maar de liefde geeft moed, vroolijken moed, die er zich weet door te slaan. — O, 't zou tóch gegaan zijn, indien het ongeluk hem niet had achtervolgd, ab zijn vrouwtje niet s morgens vóór dag en dauw was opgestaan, omdat ook zij het hare wilde bijdragen, en wanneer zij die gloeiende roode plekken niet op de wangen had gekregen. — O, 't zou toch gegaan zijn, heel goed gegaan zijn, als zijn pachtheer niet slechts een kennis van hem, als het ook een vriend van hem geweest was—maar dat was hij niet', vandaag het hij zijn inboedel publiek verkoopen. Zoo zat Haverman daar voor zijnen Heer en God neder, en zijn handen'waren gevouwen, en zijn brave blauwe oogen zagen naar boven, en in deze weer-

218

Sluiten