Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spiegelde nog een schoener glans dan die van Gods zon. Toen kwam Wiesie een klein deerntje van nog geen drie jaar naar hem toe en lei een madeliefje op zijn knieën, en zijn beide handen gingen uiteen en sloegen zich om het kind — dat was zijn kind! — hij stond op van de bank en nam zijn kind op den arm en uit zijn oogen vielen traan op traan, en het madeliefje had hij in de hand en ging met zijn kind over het pad, door den tuin. Hij ging in den tuin op en neer en zijn oog zag wat om hem was, en zijn gedachten keerden weer tot de aarde; en toch. of zij ook als zwarte en donkere wolken aan den hemel zijner toekomst optrokken, één klein stuk blauwen hemel konden zij hem met duister maken dat was zijn kleine deerntje, dat hij op den arm droeg, en dat met haar zachtê kinderhand m zijn haar speelde Hij had zijn toestand overdacht, vast en ernstig had hij de duistere wolken in 't oog gevat: hij moest zorgen, dat de booze bui hem en zijn kind met ten verderve werd! Hij ging den tuin uit en de plaats op - maar. lieve God. hoe werd het hem daar te moede! - Met de meeste onverschilligheid en op een kleine winst bedacht, verdrongen zich de menschen om de tafel, waar de afslager de verkooping hield; stuk voor stuk werden de dmgen die mj door jarenlange inspanning had bijeengegaard, aan den meestbiedende toegewezen, werd zijn onontbeerlijkst huisraad te koop geboden en dat. wat hij met moeite en zorg stuk voor stuk in huis had gehaald' gmg — weer stuk voor stuk - onder lach en scherts naar alle kanten de wereld in.

Alles was weggenomen, ook zijn bed en de overige spulletjes, die ze hem eerst nog gelaten hadden; mets dan de vier naakte muren! Alleen in den hoek bij 't raam stond een oude kist. en daarop zat een jonge dagloonersvrouw met roodgeweende oogen. en in 't midden stond een zwarte kist, en daarin lag een bleek, stU, kalm gezicht, en de vrouw had een groene bos takken in de hand en joeo de vliegen van het stille gelaat - „Stiene". zei Haverman, „ga naar huis-ik bh,f nu hier - „Och, bat mij blijven". - „Nee. Stiene ik blijf den nacht i ; 7 " * dan de Uetae ■«* meenemen?" — „Nee. bat maar; zij zal wel inslapen De jonge vrouw ging; de deurwaarder kwam en overhandigde hem t geld. dat hij voor zijn boedel had gebeurd; de menschen op het erf gingen heen, t werd buiten even stil als binnen. Hij zette het kind neer en telde het geld op de vensterbank: „Dat krijgt de timmerman voor de kist. - Dat b voor een kruis op't graf. _ Dat is voor de begrafenis. - Dit zal Stiene hebben, en hiermee kan ik goed bij mijn zuster komen". _ De avond kwam. de jonge dagloonersvrouw bracht een kaars binnen, ging bij de kist staan en keek lang in het bleeke gelaat; droogde vervolgens haar oogen aan haar boezelaar rf: „Uoeden nacht samen!' en Haverman was weer alleen met zijn kind. Hi, deed het venster open en staarde in den duisteren nacht; het was donker voor dezen tijd van 't jaar, geen ster stond aan den hemel. Alles was zwart betrokken; warm en geurig waaide een zachte wind en zuchtte in de verte. Oinds op den akker het de kwartel zijn slag hooren en de wachtelkoning hief

219

Sluiten