Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn regenroep aan, en zacht daalden de eerste regendroppelen neder op het dorstige aardrijk, dat, tot dank voor de schoone gift, den heerlijksten geur liet opstijgen, dien de landman kent: de vochtige aardgeur, waarin alle zegen voor zijn moeite en arbeid is vervat, — Hoe dikwijls had die geur hem de ziel verfrischt en de zorgen verdreven en zijn hoop verlevendigd op een goed jaar! — Nu had hij wel geen zorgen, maar ook geen vreugde; één groote vreugde was voor hem ondergegaan en had al de kleinere met zich genomen. Hij deed het raam toe, en toen hij zich omkeerde, stond zijn kleine dochtertje bij dé lijkkist en strekte haar handjes te vergeefs uit naar het stille gelaat, alsof ze het wilde streelen. Hij beurde het kind op, zoodat het er bij kon, en het kleine deerntje streelde en aaide met de warme handjes en met warme liefdewoordjes over het stille gelaat van haar moedertje, de koude doode, en keek dan vader met haar groote oogen aan, als wilde zij naar wat onbegrijpelijks vragen, en stamelde: „Moetje, huu \" — „Ja", zei Haverman, „Moetje is koud", en de tranen sprongen hem uit de oogen, en hij ging in den hoek op de oude kist zitten en nam zijn dochtertje op de knieën en weende bitter. Ën de kleine begon ook te schreien, en weende zich zoo van lieverlede in slaap; hij legde haar zacht tegen zich aan en sloeg de panden van zijn jas warm om haar heen, en zoo zat hij den nacht door en hield trouw de lijkwaak bij zijn vrouw en zijn geluk. Den anderen morgen, klokke vier, kwam de meesterknecht met de andere dagloonets; de lijkkist werd toegeschroefd; de stoet ging langzaam naar het kleine kerkhof; het eenige gevolg was hij zelf en zijn kleine deerntje. De kist werd in de groeve neergelaten — een stil Vaderonser — een handvol aarde, — en alles was voorbij. — —

Zoo tegen acht mijlen van de plaats, waar Haverman zijn vrouw aan de stille groeve had toevertrouwd, lag in Mecklenburg een kleine boerenhoeve; die had zijn zwager Jochem Nüszler in pacht De hoeve was slecht gebouwd en nogal erg vervallen, en het zag er vrij onproper uit; h i e r een kleine mesthoop en d a a r een kleine mesthoop, en-wagens, ploegen, eggen enz. stonden of lagen kris en kras door elkaar, zooals de menschen op een jaarmarkt; en de mestwagen zei tot den hooiwagen: „Broer, waar kom jij vandaan?" —• en de ploeg keek de eg aan en vroeg: „Zeg deerne, willen we met eris dansen?" — Maar de muziek ontbrak, want 't was overal stil op het erf, heel stil. Alles was met het mooie weer er op uit naar de weiden, om te hooien; het hooi moest toch vóór den avond aan oppers worden gezet

Maar toch was er leven in huis, al was het ook maar een beetje. In de kamer rechts van de deel, in de woonkamer, waar het blauwgeverfde hoekkastje stond, en de eiken latafel met het gele beslag, daar zaten twee kleine deerntjes van drie jaar met ronde vlaskopjes en ronde, roode wangetjes en speelden met een hoop zand en maakten kaas met moeders vingerhoed; met het nattezand vulden ze ook een paar kleine bloempotjes en zetten die dan om en lachten en gierden 't uit van pret, wanneer de hoop bleef staan. Dit waren Lientje en Mientje Nüszler, en die zagen er met 'r roode wangen en 'r gele haar precies uit als een paar kleine

220

Sluiten